Bij de les blijven - een verhaal door Ruud Macco

Bij de les blijven

Voorwoord


Dit is de tiende aflevering van het verhaal over de belevingswereld van Sjaak. Wat begon als een kerstverhaal is inmiddels langs diepere gedachten over kerst en pasen uitgegroeid tot een serie, waarin belevenissen van Sjaak de Kolck een afspiegeling zijn van hetgeen iedereen kan overkomen.

Of de lezer de voorvallen als gelukkig of ongelukkig ervaart, hangt vooral af van zijn of haar eigen levenservaringen. De manier waarop Sjaak steeds weer handelt, zet hopelijk aan tot nadenken over de waarden van geluk en ongeluk in het leven. Als die gevoelens absoluut zouden zijn zou tevredenheid binnen ieders bereik liggen of oneindige treurnis ieders deel kunnen zijn. Door die waarden te relativeren aan hetgeen men heeft bereikt, zal het streven naar geluk geen einde kennen net zo min als de pogingen om het ongeluk te vermijden.

In de serie over Sjaak de Kolck verschenen eerder de volgende episodes:
SdK 1 In goede handen, 13 december 2011
SdK 2 Sjaaks nieuwe kans, 3 april 2012
SdK 3 Een nieuw leven, 24 december 2012
SdK 4 Sjaak de Kolck, 26 maart 2013
SdK 5 Sjaaks moeizame start, 20 december 2013
SdK 6 Sjaaks prille les, 18 april 2014
SdK 7 Sjaaks Kracht, 15 december 2014
SdK 8 De Verleiding, 25 maart 2015
SdK 9 Het Kerstdiner, 21 december 2015

Ruud Macco
21 maart 2016

Bij de les blijven


Kwaliteit en toewijding leiden tot een hoge werkdruk. De paradepaardjes voor werkkleding van Shi&Wo en de vrije tijdskleding van Sh&Sh trekken veel klanten. Het kielzog zuigt de outdoor-lijnen van Shi&Go de stijl-kleding van Shi&Pa mee. De dagen blijken veel te kort kort om alle kansen voor groei te benutten. Nieuwe mogelijkheden klimmen achter elkaar vanachter de horizon tevoorschijn. Met elkaar praten lukt slechts tussen de lakens als de vermoeidheid hen dat probeert te beletten. Het is maar goed, dat belangrijke gebeurtenissen niet veel woorden nodig hebben.

De ochtendmisselijkheid van Maja was Don al wel opgevallen. De woorden kwamen pas op een van die spaarzame avonden, dat ze hun ogen wat langer konden openhouden.

‘Don?’ begint Maja.

Iets in haar stem zorgt ervoor dat Don ineens klaar wakker is. Hij richt zich op, steunt op een elleboog en beantwoordt haar blik in het schemerdonker van de slaapkamer. ‘Dat klinkt ernstig, Maja. Je ziet de laatste tijd wat bleek en je maag is al een paar weken in opstand.’

‘Ik verwacht ons tweede kindje, Don.’

Die simpele mededeling smoort woorden in diepe emoties, die alleen zij samen delen. Maar dit keer voelt het anders dan eerder. Heel anders.

‘Wanneer, denk je?’

‘Het moet van kerstmis zijn. Rond 22 september denk ik.’
Meer woorden komen die dag niet meer. Dicht tegen elkaar aan vallen ze in slaap.

Door Maja’s zwangerschap ziet Don zich genoodzaakt eerder dan gepland een medewerker in te huren. De komst van een jonge vrouw van het uitzendbureau herinnert Maja echter aan Don’s avontuurtje tijdens zijn zakenreis naar Litouwen. Dat ze luistert naar de naam Els maakt het er niet makkelijker op. Don kan dan ook praten wat hij wil, boos worden of smeken Niets kan Maja weghouden van haar werk. Omdat Kolck’s Shielding Clothes BV extra hard groeit en Maja ook steeds meer tijd neemt voor zichzelf en voor Sjaak, laat Don het maar gebeuren.

Als Maja zichzelf weer eens voorbij dreigt te lopen, gaat hij achter haar staan, slaat zijn armen om haar middel en verbergt hij zijn neus in haar haar. ‘Voor Sjaak was geboren wist je al dat hij Sjaak moest heten. Heb je nu voor onze tweede ook al een naam?’

‘Nog niet, Don.’ Ze leunt met haar hoofd tegen zijn borst. ‘Misschien…Chris, als het weer een jongetje is? Ik denk… Ik ben rond de Kerstdagen zwanger geworden… Chris?’

‘Sjaak en Chris, hmmm. Wat dacht je van Teun? Teun de Kolck klinkt kort en krachtig.’

‘Sjaak en Teun? Dat klinkt niet gek. En als het een meisje is?’

‘Wat dacht je van Meike? Meike de Kolck.’

‘Meike? Hoe kom je daar nu op? Klinkt trouwens wel lief.’

‘Zomaar. Die schoot me zomaar te binnen.’

‘Wanneer vertellen we Sjaak dat hij een broertje of zusje krijgt?’

‘Dat kan nog zat.’

‘Misschien toch goed om hem er nu al bij te betrekken.’

‘Misschien wel, ja. Ik zal het hem morgen vertellen.’

Sjaak hoort het nieuws gelaten aan. Maar omdat hij er nog niets van merkt, blijkt zijn concentratie erg vluchtig en wurmt hij zich van haar schoot. Glimlachend laat Maja zich door hem meetrekken naar zijn speelhoek om samen iets van Duplo blokken te bouwen. Maar Maja moet er nu even niet aan denken om op de grond te gaan zitten spelen.

‘Ik heb een beter plan,’ zegt ze. ‘Laten we naar de dierentuin gaan.’

‘Jaaa,’ roept Sjaak. ‘Nu?’

‘Ja nu,’ zegt Maja lachend.

‘Papa ook mee?’

’Nee kerel, papa moet werken.’

‘Papa moet werken hè mama,’ echoot Sjaak.

‘Ja, papa moet werken. wij gaan met zijn tweetjes. Trek je jas maar aan. Dat kun je zelf al heel goed.’

Ze legt Sjaak’s jas zo op de grond, dat hij hem zelf kan aantrekken. Maja pakt wat eten en drinken voor onderweg en schone kleren voor Sjaak in een tas en haalt de buggy uit de schuur. Maar Sjaak weigert daarin te gaan zitten. Zo lopen ze even later naar de halte van de bus, die hen naar de dierentuin zal brengen. Maja achter de buggy met daarin de tas en Sjaak ernaast. Met een van zijn knuistjes houdt hij de buggy stevig vast. Totdat er een poes de struiken uit komt. Sjaak laat ogenblikkelijk de buggy los en staat met zijn handen op zijn knietjes oog in oog met de poes. Die strijkt verleidelijk met haar staart langs Sjaak’s benen en rent dan de weg over. Sjaak lacht het uit en rent er achter aan.

‘Hier blijven, Sjaak.’ roept Maja nog. ‘Neeee,’ gilt ze.

Sjaak zet zijn laatste stap op straat. De dreigende toon van een snel harder klinkende claxon verstart hem. Met het aanzwellende geluid van piepend rubber, duikt de bumper omlaag als een enorme schep, die hem van de grond wil tillen. Sjaak wil weg, terug de stoep op, maar zijn lichaam weigert dienst. Dat de auto hem raakt, voelt hij niet eens. De enorme duw geeft hem vleugels, zodat de weg ineens veel lager lijkt te liggen. Aan dat gevoel van vrijheid wordt ruw een einde gemaakt door een harde landing op het asfalt. Zijn jas schuurt over de grond. Alsof Sjaak zijn moeder zoekt, steekt hij zijn armpjes uit. Maar steeds opnieuw rollen ze onder hem door tot de stoeprand hem met een schok tot stilstand dwingt. Als van een pop, slaat zijn hoofd tegen de harde rand.

Maja houdt haar handen voor haar oren om het geluid van de gillende banden, Sjaak’s ijselijke schreeuw en vooral de klap waarmee hij weer op straat kwakt tegen te houden. Ze snelt naar Sjaak, haar benen kunnen haar niet sneller dragen. Bij iedere stap voelt ze de straatkeien tegen haar voeten slaan. Drie stappen en een eeuwigheid later zit ze op haar knieën bij Sjaak op straat. Ze wil hem wel wakker schreeuwen, wakker schudden. Hem weer op zijn benen zetten. Maar mensen trekken haar bij Sjaak vandaan.

De automobilist stapt uit zijn auto en rent ook naar Sjaak. ‘Hij liep ineens de straat op. Ik kon hem niet meer ontwijken,’ jammert hij.

Maja keert zich tegen hem en slaat hem met haar vuist in zijn gezicht. ‘Je reed veel te hard, zak.’

Sjaak ziet zichzelf tegen de stoeprand liggen. De wanhoop van zijn moeder doet hem pijn. De ambulance komt. Een dokter, die zijn lichaam onderzoekt, schudt zijn hoofd. Als zijn moeder flauw valt keert hij zich af van die ramp-plek. Het warme licht aan het einde van de tunnel voor hem is onweerstaanbaar. De reis erheen voert hem langs tal van gebeurtenissen uit zijn jonge leven. Aan het einde reiken twee oude bekenden hem de hand en voeren hem naar een bankje in het zicht van het helder verlichte landschap. Dat voelt vertrouwd, als thuis, maar tegelijk nog zo ver weg.

‘Sjaak, Sjaak.’ zegt Erik. ‘Je begon zo goed. Je bent nog lang niet klaar daar.’

Sjaak kijkt beteuterd. Mag ik niet blijven?

‘Wil je alles overdoen dan?’ vraagt Cindy.

Sjaak schudt nee. ‘Maar het is zo mooi hier,’ zegt hij.

‘Dat weten we, Sjaak. Maar dit alles en nog veel mooiere dingen wachten op je als je er aan toe bent. Je zou ze niet kunnen bevatten als je ze niet heb verdiend.’

‘En het verdriet van anderen wil je niet met je meedragen, Sjaak. Kijk,’ zegt Erik.

Het landschap voor hem maakt plaats voor een witte ruimte, waarin mensen in blauwe pakken met zijn lichaam bezig zijn. In een smal halletje daarvoor zit zijn vader met een betraand gezicht. Zijn armen om de schouders van zijn moeder en zijn kin op haar kruin.

‘Zoveel verdriet hebben zij niet verdiend.’

‘Ga ze troosten, Sjaak,’ zegt Cindy.

‘En wees lief voor je zusje,’ voegt Erik er nog snel aan toe.

‘Een zusje?’ zegt Sjaak. Als hij weer naar zijn ouders kijkt, wordt hij overspoeld door warme gevoelens, waarmee Sjaak de kracht krijgt om terug te keren. De herinnering aan die liefde, die hij even heeft mogen voelen, neemt hij met zich mee.

Sjaak slaat zijn ogen op en kijkt in het gemaskerde gezicht van een dokter. Hij wil schreeuwen, maar een kap over zijn mond en neus verhinderen dat. Nijdig wil hij het ding van zijn gezicht trekken. Maar sterke handen houden hem in bedwang.

Don en Maja kijken naar de dokter, die uit de behandelkamer de gang inloopt. Betraande ogen en hun mond open om hun wanhoop te kunnen uiten, tonen hun angst om Sjaak te verliezen. Maar bij het zien van de twinkeling in die ogen en de glimlach, die nog door het mondkapje heen schittert, slaat hun ellende om in hoop.

‘Is hij….?’ stamelt Don.

‘Ik mag jullie gelukwensen. Het ergste is achter de rug.’

Maja vliegt overeind omhelst de dokter en wil de behandelkamer in stormen. Maar de dokter houdt haar tegen.

‘Rustig aan mevrouw. Uw zoon is nog onder narcose.’

‘Sjaak,’ roept Maja. ‘Ik wil hem zien.’

Don pakt haar bij de schouders en trekt haar uit de armen van de dokter. ‘Rustig Maja, Sjaak moet eerst een beetje bijkomen. We mogen hem straks vast wel even zien.’

‘In de huiskamer staat een koffieautomaat. Daar zijn ook wat gemakkelijke stoelen. Zodra het kan laat ik u roepen,’ zegt de dokter.

Naar haar gevoel uren later komt er eindelijk een verpleegster. ‘Meneer en mevrouw De Kolck? Uw zoontje vraagt naar u.’

Maja vliegt overeind, pakt haar spullen bij elkaar en is in twee stappen naar de verpleegster. ‘Waar istie?’

Don doet nog snel een paar paaseitjes in een glas en laat het in zijn jaszak glijden. Dan loopt hij met grote passen achter Maja en de verpleegster aan naar de kamer van Sjaak.

‘Sjaak.’ Snikkend valt Maja voor Sjaak’s bed op haar knieën, pakt Sjaak’s handje en drukt die tegen haar lippen.

Een flauwe glimlach glijdt over Sjaak’s witte gezicht. Zijn ogen vinden die van zijn vader achter een waas van tranen.

‘Kerel. Gelukkig, je bent er weer.’ brengt Don met zijn lippen op het verband rond Sjaak’s hoofd moeizaam uit.

Sjaak drukt zijn vingers licht tegen zijn moeder’s lippen. Dan vallen zijn ogen weer dicht.

‘Kom, laat hem nu maar slapen. Morgen is hij vast sterker,’ zegt de verpleegster, terwijl ze zacht meer resoluut aandringt op hun vertrek. ‘En u kunt ook wel wat slaap gebruiken, denk ik.’

Don helpt Maja overeind. Bij de deur draaien ze zich nog een keer om. Even aarzelt Don, maar loopt dan kordaat terug en zet het glas met de paas-eitjes op Sjaak’s nachtkastje.

‘Een Pasen om nooit te vergeten, Sjaak.’