Cindy - verhaal door Ruud Macco

Cindy

Download dit verhaal:

File Description
pdf SdK 12 Cindy
epub SdK 12 Cindy

Voorwoord


Omgeven door liefhebbende mensen, maar je toch eenzaam voelen. Een vaak onbegrepen gevoel, dat zich tegen je zelf kan keren. Het onbegrip daarvoor van anderen werkt als een katalysator dat het gevoel van op je zelf aangewezen zijn nog slechts lijkt te verdiepen. Waar andere mensen je niet kunnen helpen, kunnen dieren die impasse vaak wel doorbreken. Als dat dan gebeurt is het een klein wonder.

Pasen is ook wat dat betreft een heel bijzonder feest. Dood en wedergeboorte liggen dicht bij elkaar. En dat zou ook best wel eens kunnen gelden voor nare gevoelens.

In de serie over Sjaak de Kolck verschenen eerder de volgende episodes:
SdK 1 In Goede handen, 13 december 2011
SdK 2 Sjaak’s Nieuwe kans, 3 april 2012
SdK 3 Een nieuw leven, 24 december 2012
SdK 4 Sjaak de Kolck, 26 maart 2013
SdK 5 Sjaak’s moeizame start, 20 december 2013
SdK 6 Sjaak’s prille les, 18 april 2014
SdK 7 Sjaak’s kracht, 16 december 2014
SdK 8 De Verleiding, 25 maart 2015
SdK 9 Het Kerstdiner, 21 december 2015
SdK 10 Bij de les blijven, 25 maart 2016
SdK 11 Meike, 25 december 2016

Ruud Macco
16 april 2017

Cindy


Op eerste Paasdag doet Sjaak zijn ogen open. Een reden om op te staan kan hij niet bedenken. Net als hij zich wil omdraaien, dringen de eerste zonnestralen onder het gordijn door zijn kamer binnen en vallen hem recht in het gezicht aan. Hij springt zijn bed uit, pakt een auto en smijt die door de kamer. Er vliegt een stuk af. Sjaak pakt de brokken op en houdt ze tegen elkaar. Maar het stuk blijft niet meer aan de auto zitten. Hij begint te jammeren. Zijn lievelingsauto stuk. Dat komt door Meike, denkt hij. Zijn klagelijk gejammer gaat over in boos huilen. Het geluid ervan zwelt aan tot Sjaak al zijn kracht daarvoor heeft gemobiliseerd.

In een andere kamer begint Meike mee te doen. Zijn vader stormt de trap op terwijl zijn moeder naar Meike loopt. Als hij de uitbrander heeft geïncasseerd kruipt hij snikkend zijn bed weer in. Was ik maar met Benthe alleen gebleven, denkt hij. Onder de dekens komt alle ellende van de maanden sinds de kerstdagen nog eens weer bovendrijven.

Het is Kerstmis. Samen met zijn hond staat hij voor de deur. Zij blaft zo hard dat papa de deur open doet. Papa en mama zijn heel blij als ze hem zien.. De buren zijn er ook. Iedereen wil hem knuffelen. Zijn hond wordt geaaid en papa en mama bedanken haar dat ze zo goed op hem gepast heeft. Het voelt goed.

Dat was toen, denkt Sjaak boos. Daarna knuffelde mama weer alleen maar met Meike en niet met mij. Opnieuw verandert zijn verdriet in boosheid. Waarom vindt zij haar wel lief en mij niet? Zelfs papa speelt liever met Meike dan met hem. Ik wil niet meer bij haar wonen.

Sjaak’s hersens blijven maar malen en hij wordt steeds verdrietiger. Het beeld van een met zijn hoofd schuddende Erik komt boven drijven.

Was het de tweede keer, dat ik me liet wegjagen? piekert Sjaak. Wanneer heeft Meike me de eerste keer dan weggejaagd? Meike is er nog niet eens zo lang. Maar Erik deed zo boos.

Gelukkig was Cindy er ook. De gedachte aan haar verdrijft de boosheid van Erik.

Cindy is de liefste van de hele wereld, denkt Sjaak. Veel liever dan papa en mama. Zij vindt mij tenminste ook lief. Maar hoe moet ik nu mijn liefde delen met mensen die om mij geven? Die mensen moeten er dus zijn, denkt Sjaak. Maar waar? Of mogen het ook dieren zijn?

Mijn hond heeft me warm gehouden toen in die schuur. Die was lief. Maar haar pakten ze weer van me af. Hoe kan ik mijn liefde nou delen? Iedereen is tegen me, denkt hij en huilt zich in weer slaap. In zijn droom beleeft Sjaak de scheiding met zijn hond opnieuw.

Als de kerstkrans op is, gaan de buren weg. Meike slaapt boven in haar kamer en hij kruipt bij mama op de bank. De hond legt zijn kop op zijn benen. Het is fijn zo zonder Meike. Mama streelt hem over zijn haren en zijn hoofd rust tegen haar boezem.

Papa pakt de telefoon. Als het over zijn hond gaat, luistert Sjaak pas goed.

’Onze Sjaak is gezond en wel bij ons terug.’ begint Papa. ‘Die hond heeft hem vast thuisgebracht.’

Stilte. Hij kijkt zijn vader aan.

‘Maar die hond is zijn grootste vriend,’ zei papa toen.

Weer is het stil.

‘O? Nou goed dan. Komt u morgenochtend?’

Weer wordt het stil tot papa de telefoon weglegt.

‘Ze komen zo.’ Papa kriebelt de hond achter haar oren en aait hem over haar hoofd. Dat gevoel van veilig geluk laat ineens zijn dreigende gezicht vol onheil zien.

‘Ik wil haar houden. Ze is mijn vriendin,’ huilt Sjaak.

Even later zit een politieman in een stoel. Een politievrouw naast mij op de bank. Mama’s arm ligt om mijn schouders. Ze trekt me tegen zich aan. Maar ik voel me niet veilig.

‘Is dat jouw speelgoed?’ vraagt die vrouw hem. Ze loopt naar zijn speelhoek.

Stom mens, denkt hij. Hij geeft geen antwoord.

‘Wat een mooi hijskraan is dat. Kan die ook echt hijsen?’

Wat moet dat mens met mijn hijskraan? Hij staat op en loopt samen met zijn hond naar haar toe om de hijskraan te demonstreren. Zijn hond gaat er bij liggen en kijkt met opgetrokken wenkbrauwen naar die vrouw. Ja, hond, dat gemene mens wil je van mij afpakken, denkt hij terwijl hij de hendeltjes van de hijskraan bedient.

’Wat een lieve hond, heb jij,’ zegt die politievrouw. ’Zo een heb ik ook.’

‘Zij is mijn vriendin,’ zegt hij met zijn armen beschermend om de nek van de hond.

‘Wat een lieve hond. Hoe heet ze?’

‘Gewoon Hond.’

Ze wil weten waar we elkaar hebben ontmoet. Dat Hond er gewoon ineens was, geloven ze niet. Ze geloven hem niet! Ineens roept die politieman: Benthe, hier!

Hond staat op, kijkt naar die politieman maar blijft bij hem. En dan begint Hond heel zachtjes te huilen en ze likt hem over zijn gezicht en loopt naar die politieman. Ze houdt haar staart tussen de poten en laat haar kop hangen.

‘Zij zal terug moeten naar zijn baas,’ zegt die politieman.

Dan wordt Sjaak met een kreet wakker. Papa en mama gaven zijn hond aan die politieagenten. Dat is gemeen. Niemand houdt meer van hem! Hij drukt zijn knuffel tegen zijn gezicht en fluistert hem toe: ‘Ze hoort bij mij! Zij vindt mij lief!’

Sjaak wist niet dat ook zijn papa en mama verdrietig waren. Maar wat konden ze doen? Benthe had nu eenmaal een andere baas. Sjaak had kringen onder zijn ogen gekregen, die allengs dikker en donkerder werden.

‘Er moet wat gebeuren, Maja. Zo blijft het verlies van die hond hem door het hoofd spoken,’ zei Don op een dag.

‘Dat lijkt me ook,’ beaamde Maja. ‘Ik heb al eens gedacht om zelf een hond in huis te nemen. ‘Misschien heb je wel gelijk,’ had Don toen gezegd. ‘Een jonge hond om Sjaak weer vrolijk te krijgen.’

‘Er ìs een kennel met labradors hier in de buurt.’

‘Ik zal er eens gaan kijken,’ zei Don.

Het is Paas-zaterdag als Don bij de kennel uit de auto stapt. Meteen komt er een blonde labrador kwispelstaartend naar hem toe rennen. De hond springt om Don heen en duwt haar natte neus tegen zijn handen. Net als Don zich bukt om de hond te begroeten hoort hij een man roepen.

‘Benthe, hier.’

Don kijkt verrast op. ‘Benthe? Zei u Benthe?’

‘Ja, zo heet ze. Ze is wel erg blij u te zien, meneer…’

‘Don de Kolck.’ Don schudt de hand van de fokker.

‘Focke Boers.’

‘Afgelopen kerst kwam onze Sjaak met net zo’n labrador thuis. Die bleek ook Benthe te heten.’

‘Dat is toevallig. Benthe was weggelopen. De politie heeft haar opgespoord en een dag later teruggebracht.’

‘Dat moet haast wel dezelfde hond zijn,’ zegt Don. En hij legt uit wat Sjaak als vierjarige peuter allemaal voor zijn kiezen heeft gehad. Het ongeluk, het ziekenhuis, de revalidatie en dan ook nog eens een zusje erbij.

‘Het gevoel er niet meer bij te horen moet hem zover hebben gebracht dat hij daags voor kerst is verdwenen. Terwijl wij dachten dat hij lag te slapen, bleek zijn bed later op de avond leeg,’ zegt Don. ‘Met de buren hebben we de halve nacht gezocht en tenslotte de politie ingeschakeld. Tevergeefs.’ Don slikt een keer als hij eraan terugdenkt.

’Hebt u zin in koffie?’ vraagt Focke gebruik makend van de pauze in het verhaal.

‘Ja, dat kan ik wel gebruiken,’ zegt Don.

Vanachter een mok dampende koffie vertelt Don verder.

‘Een dag later stond hij ineens weer voor de deur. Met Benthe. Het was een kerstcadeau. Je begrijpt hoe blij we waren. En met ons de hele buurt. En Sjaak bleek heel blij met zijn hond, die hij gewoon Hond noemde. Waar hij haar heeft ontmoet vertelde Sjaak niet. We vermoeden dat ze samen de kerstnacht hebben doorgebracht.’

‘Ongelooflijk,’ zegt Focke. ‘Benthe is een erg sociale hond. Maar dat ze tot zoiets in staat is…’

‘Wanneer is ze precies weggelopen?’ vraagt Don.

‘Ook ’s avonds op 24 december vorig jaar,’ zegt Focke. Toen het tijd was voor haar avondronde ging ze er ineens als een speer vandoor. Ik heb eerst een tijd lopen roepen. Maar het was zo donker, dat we het moesten opgeven. Ik heb haar toen als vermist opgegeven bij de politie. Ze is namelijk een van onze beste honden om mee te fokken. En we hadden haar net laten dekken.’

‘Heeft ze een nestje?’ vraagt Don.

‘Ja. En op één na hebben alle pups al een nieuw thuis gevonden.’

‘Op een na?’ zegt Don. Zijn ogen beginnen te schitteren. ‘Weet u, nadat we de politie hadden gebeld om te zeggen dat Sjaak in gezelschap van een hond weer terug was, kwamen ze direct langs. Toen ze eenmaal hadden ontdekt dat Sjaak’s hond Benthe heette, namen ze haar gelijk mee. Sindsdien treurt onze Sjaak. Zijn eten laat hij staan en we zien hem soms zo stil voor het raam staan staren. Gewoon zielig.’

‘Uw verhaal heeft mij nieuwsgierig gemaakt naar uw zoontje. Hij lijkt me een gevoelig joch. Ik zou hem graag ontmoeten.’

Het is Pasen. De voorjaarszon doet zijn best al is de lucht nog koud. Net zo onderkoeld als Sjaak’s humeur. Een uitbrander van zijn vader over zijn luidruchtige gedrag maakt het Sjaak opnieuw duidelijk dat ze niet van hem houden. Dat hij de schuld krijgt van het gekrijs van zijn zusje vindt hij oneerlijk en een bewijs temeer, dat Meike het lievelingetje is van zijn ouders.

Na het ontbijt zegt Don: ’Wie gaat er mee een stukje rijden?’

Sjaak heeft geen woorden nodig voor een antwoord. Zijn gezicht zegt genoeg.

‘Sjaak, als ik je nu eens zeg dat we op visite gaan?’

‘Waarheen?’

‘Bij Benthe.’

‘Benthe?’ Sjaak veert op. de donkere wolk in zijn gezicht drijft ineens weg. Hij schuift zijn stoel achteruit en roept ‘Gaan we nu?’

‘Je mag ook hier blijven natuurlijk als je geen zin hebt,’ plaagt zijn vader.

Maar Sjaak geeft al geen antwoord meer en rent naar de hal om zijn jas te pakken.

Don parkeert de auto op het erf van de kennel. Sjaak maakt direct zijn veiligheidsgordel los en staat al voor het raam van de auto te wachten tot zijn vader het portier openmaakt. Als het zover is springt Sjaak de auto uit en rent het erf op.

Vanuit de verte heeft ook Benthe in de gaten wie er zijn. Ze dendert op hem af en weet net op tijd te remmen om Sjaak niet ondersteboven te lopen.
Sjaak omhelst ‘zijn’ hond en knuffelt het dier dat het een lieve kust is.
Hevig zwaaiend met haar staart likt ze hem waar ze met haar lange tong maar bij kan komen.

Focke Boers blijft in de deuropening wachten om die onstuimige begroeting niet te verstoren. Maja zet Meike in de buggy en blijft naast Don stil staan kijken naar de manier waarop hun Sjaak omgaat met Benthe. Een soort van verering is van zijn gezicht te lezen als hij Benthe knuffelt. Sjaak’s wereld bestaat voor even alleen uit Benthe. Al het andere is er voor hem gewoon niet meer. Sjaak pakt een bal van het erf en gooit hem weg. Benthe en Sjaak spurten er samen achter aan. Als Benthe bij de bal is kijkt ze even om naar Sjaak alsof ze het hem gunt het eerst bij de bal te zijn.

‘Wat een enthousiasme,’ zegt Focke. ‘Zoiets zie je maar zelden. Ze moeten samen wel heel wat meegemaakt hebben.’

‘We weten nog altijd niet wat er die ene nacht is gebeurd. Sjaak praat er nooit over. Als we er naar vragen zegt hij altijd weet ik niet meer. Zo uitgelaten als nu heb ik onze Sjaak sinds kerstmis niet meer gezien.’

Focke nodigt Don en Maja uit om zijn honden te bekijken. In de kennel stoeit een jonge hond met een dik stuk touw.

‘Dat met die flos is de jongste van Benthe,’ zegt Focke. ‘Misschien wil Sjaak ook met haar kennis maken.

Don roept Sjaak. Samen met Benthe komt hij eraan gerend.

‘Kijk eens Sjaak: dat jonge hondje is een kind van Benthe,’ zegt Maja. Ze zit op haar hurken en wijst Sjaak de jonge hond.

Als Sjaak zich tegen het hek aandrukt komt het jonge dier naar hem toe.

‘Je mag wel even naar binnen Sjaak om kennis met haar te maken,’ zegt Focke. Hij doet het hek open.

Voetje voor voetje loopt Sjaak naar binnen. Het dier komt direct naar hem toe. Sjaak gaat op zijn knieën zitten en laat het dier aan zijn handen en kleren ruiken. Nieuwsgierigheid en plezier stralen van zijn gezicht.

‘Hoe heet ze?’ vraagt Sjaak.

‘Wat lijkt jou een mooi naam voor haar, Sjaak?’

‘Cindy,’ zegt Sjaak zonder aarzelen.

‘Cindy. Dat is een mooie naam,’ zegt Focke.

Don en Maja kijken naar Focke. Hoop, dat zij Cindy mee naar huis mogen nemen en vrees, dat Sjaak nog verder in de put raakt als Focke de hond wil houden, beheerst hun beider gedachten. Als Focke hen aankijkt slaat de vonk over.
Benthe is er eens bij gaan liggen en kijkt naar Sjaak en haar dochter.

‘Mag Benthe ook naar binnen?’ zegt Sjaak.

‘Als ze dat wil, zegt Focke en doet het hek voor haar open.

Bedaart loopt Benthe naar binnen en snuffelt beurtelings aan Sjaak en aan Cindy. Dan gaat ze erbij liggen en laat ze het spelen over aan Sjaak en haar dochter.

‘Ik had haar zelf willen houden. Maar dat zou ik nu niet eens meer kunnen. Moet je ze zien.

‘Kijk de zon weer eens schijnen,’ zegt Maja als ze even later op weg naar huis naar hun Sjaak kijken.