De tijdtrap

Download dit verhaal:

File Description
pdf SdK 15 De tijdtrap
epub SdK 15 De tijdtrap

Voorwoord


Sjaak heeft leren lezen en zijn wereld wordt gelijk veel groter. Maar hij blijkt nog lang niet klaar om al die berichten te begrijpen. Dat gebeurtenissen in het verleden tegen het licht worden gehouden van de huidige opvattingen, vult de kranten en de journaals. Alhoewel er talloze voorbeelden zijn in politiek, religie en zelfs kinderfeesten, lijkt dat veel mensen te ontgaan.

Dit verhaal over de belevenissen van Sjaak gaat erover om het verleden toch vooral met rust te laten en de blik te richten op de toekomst. Daarbij is de trap een symbool voor de weg in de tijd, zowel terug als vooruit.

Eerdere belevenissen van Sjaak de Kolck zijn te lezen in afleveringen, die op mijn website, www.rumac.nl zijn terug te vinden:

SdK 1 In Goede handen, 13 december 2011
SdK 2 Sjaak’s Nieuwe kans, 3 april 2012
SdK 3 Een nieuw leven, 24 december 2012
SdK 4 Sjaak de Kolck, 26 maart 2013
SdK 5 Sjaak’s moeizame start, 20 december 2013
SdK 6 Sjaak’s prille les, 18 april 2014
SdK 7 Sjaak’s kracht, 16 december 2014
SdK 8 De Verleiding, 25 maart 2015
SdK 9 Het Kerstdiner, 21 december 2015
SdK 10 Bij de les blijven, 25 maart 2016
SdK 11 Meike, 25 december 2016
SdK 12 Cindy, 16 april 2017
SdK 13 Sjaaks ontmoeting, 25 december 2017
SdK 14 Fatima, 1 april 2018

Ruud Macco
25 december 2018

De tijdtrap


‘Mam wat staat hier?’ vroeg Sjaak. Zijn vinger wees naar een woord in chocoladeletters in de krant.

Sjaak zit in groep 3, waar hij zijn leesvaardigheid in rap tempo heeft vergroot. De herkenning van woorden is een feest en zet hem aan tot het lezen van alles waarin hij letters herkent. Het lezen van de krant werd een dagelijkse gewoonte van hem. Las hij aanvankelijk alleen de voorpagina, nu bladert hij inmiddels de hele krant door. De trots van zijn ouders op Sjaaks snelle ontwikkeling sloeg echter al gauw om in bezorgdheid over hoe hij van alle ellende kan worden afgeschermd. Sjaak wil namelijk weten wat hij leest. Zoekend naar woorden die aansluiten bij Sjaaks belevingswereld hopen zij zijn nieuwsgierigheid nog enigszins te kunnen doseren.

‘Blokkeerfriezen, staat daar,’ zei Maja.

‘Wat is dat?’

‘Friezen zijn mensen, die in Friesland zijn geboren en blokkeerfriezen hielden op de snelweg alle auto’s tegen.’

‘Waarom?’

‘Ze wilden boze mensen tegenhouden.’ In stilte nam Maja zich voor de krant voortaan weg te stoppen voordat Sjaak hem te pakken zou kunnen krijgen.
‘Ze waren boos op SInterklaas, hè,’ zei Sjaak over de krant gebogen even later.
‘Nee, joh. Niemand kan toch boos worden op Sinterklaas?’
‘Maar hij staat op de foto, kijk dan!’ wierp Sjaak tegen.
‘Dat is de echte Sinterklaas niet. Dat is gewoon een man in een sinterklaaspak.’
‘Oh,’ zei hij terwijl hij de foto nog eens nauwkeurig bestudeerde tot zijn hond Cindy zijn aandacht vroeg. Tot opluchting van zijn moeder vouwde hij de krant dicht.

Een week later keek hij samen met zijn zusje Meike naar de intocht van Sinterklaas op televisie. Meike riep steeds enthousiast wat ze zag en alle bekende liedjes probeerde ze mee te zingen. Maar Sjaak keek in stilte.

‘Er waren geen boze mensen, mam,’ zei Sjaak na afloop. ‘Die zijn zeker tegengehouden door die blokkeerfriezen.’

‘Nee Sjaak, die hebben vorig jaar die boze mensen tegengehouden,’ antwoordde Maja.

‘Wie heeft ze nu tegengehouden dan?’

Maja had uitgelegd dat die boze mensen dit jaar ergens anders naar toegestuurd waren, waar ze ongehinderd vervelend konden doen en dat de politie hen daar in de gaten heeft gehouden.

Die maandag daarop kwam Sjaak uit school en liet zoals gewoonlijk eerst zijn grote vriendin Cindy uit. Sinds de labrador Cindy in zijn leven kwam, heeft hij haar elke dag na schooltijd meegenomen voor een blokje om of om wat te spelen in het park. Zijn zin in lezen heeft zijn rondjes met Cindy wèl korter gemaakt. Ook die dag kwamen ze binnen een half uur alweer thuis. Cindy zocht direct Maja op in de keuken. Met haar kop naar beneden drukt ze zich tegen haar aan.

‘Ben je al weer terug?’ had Maja vanuit de keuken gevraagd. ‘Zo te zien had Cindy zin in om langer te lopen.’

‘Waar is de krant, mam?’ riep Sjaak vanuit de hal, waar hij de lus van zijn jas over een kapstokhaak probeerde te trekken.

‘Die heb ik opgeruimd, Sjaak. Ga maar even een gewoon boekje lezen.’

‘Nee, ik wil de krant lezen. Waar is die?’

‘In de kliko. Daar kun je niet meer bij,’ zei Maja.

‘Nouwww,’ dreinde Sjaak, ‘die wil ik nog lezen.’ Hij rende naar de garage, gooide de kliko om, kroop er in en greep de bovenste kranten eruit.

Met een zucht kwam Maja de garage in en hielp hem de boel op te ruimen. ‘Hier, maandag 19 november. Dit is de krant van vandaag,’ zei Maja en liep weg.

Een grote foto op de voorpagina trok Sjaaks aandacht. ‘Wat zijn relschoppers, mam?’

‘Dat zijn mensen die ruzie zoeken.’

‘O? Met Sinterkláás?’

‘Welnee, jongen. Wie vast niet met Sinterklaas.’

‘Nou kijk, daar staat Zwarte Piet,’ zei Sjaak. Met zijn vinger wees hij het woord aan. ‘En Zwarte Piet hoort bij Sinterklaas.’

‘Laat eens zien,’ zegt Maja. terwijl ze las, dacht ze na hoe ze Sjaaks nieuwsgierigheid naar het hele verhaal kon beteugelen. ‘Dat zijn ruziezoekers, Sjaak. Sinterklaas zou ze in de zak moeten stoppen en meenemen naar Spanje.’

‘Ja, samen met die boze mensen bij de blokkeerfriezen,’ zei Sjaak en hij las verder.

‘Zo is dat,’ zei Maja met een zucht van opluchting en ging weer aan het werk.

‘Pepernoten werden eieren, staat hier, mama. Dat kàn toch niet?’

‘Nee, kerel. Mensen mogen elkaar ook niet met eieren gooien. Ook niet als ze boos zijn.’ zei Maja zonder er bij na te denken.

‘Hoe doen ze dat dan, pepernoten veranderen in eieren?’

‘Ze bedoelen, dat ze met eieren gooien in plaats van met pepernoten,’ zegt Maja lachend.

Sjaak bekeek de foto nog eens goed. ‘Ze gooien eieren naar Zwarte Piet,’ stelde hij met hoge stem vast.

‘Dat lijkt maar zo jongen. Kom eens even bij me zitten, ik moet je wat vertellen,’ zei Maja die het helemaal zat was en klopte op haar schoot.

De drempel naar de grote wereld had nog niet eerder zo hoog geleken. Hij wist niet zeker meer of lezen wel zo leuk was. Het had Sinterklaas uit zijn leven weggerukt en Zwarte Piet mocht niet zwart meer zijn. En alleen omdat er mensen met een donkere huid waren, die vonden dat Zwarte Piet op hen leken en daarom protesteerden.

‘Maar als Zwarte Piet wit zou zijn, worden er dan alle blanke mensen boos?’ vroeg Sjaak.

‘Dat weten we niet Sjaak,’ zei Maja. ‘Maar vroeger werkten er ook witte, gele en rode mensen als knecht. Maar Sinterklaas werkt het liefst met zwarte knechten.’

‘En je zei dat hij eigenlijk een sprookje is.’

‘Ja en daarin passen Pieten, die in het oude sprookje nu eenmaal zwart zijn.’

‘Praat er maar niet over met Meike. Want zij is nog veel te klein om dat te begrijpen.’

Sjaak knikte wijs en gleed van Maja’s schoot. Maar de rest van de middag zat hij wèl met een Sinterklaasboekje voor zijn neus.

Die nacht daalde Sjaak in zijn slaap langs de woorden van zijn moeder af naar het verleden van de wereld die ook zijn heden en zijn toekomst zou moeten worden. Langs de lange trap doemden kleurrijke gezichten op die hem nakeken op zijn tocht naar beneden. Het werd steeds donkerder op de trap. Twijfelend of hij wel verder zou lopen, bleef Sjaak op een bordes staan. Gelijk kwam er iemand bij hem staan.

‘Waar gaat de reis naar toe, jongen?’ vroeg die man. Zijn witte ogen staken scherp af tegen zijn zwarte gezicht.

‘Ik wil weten waarom alles gaat zoals het gaat,’ wilde Sjaak zeggen, maar de woorden bleven in zijn keel steken. Sjaak wendde zich van de man af, die daarop prompt veranderde van zwart naar wit. Hij hield Sjaak een gouden oorring voor. ‘Ga terug en neem deze knechtenring mee,’ zei hij. Maar Sjaak hield angstvallig zijn handen achter zijn rug en stapte achteruit weer een tree omhoog. Daarop fluisterde de witte man iets naar het gele gezicht boven hem. Dat staarde hem aan en fluisterde weer iets naar een rood gezicht daarboven.

Sjaak draaide zich om en zette het op een lopen. Hij ijlde de trap op naar boven. Weer kwam hij bij een bordes, dat hem op zijn tocht naar beneden niet was opgevallen. Gezichten met alle kleuren van de regenboog hadden ineens armen die naar hem reikten. Bang dat die witte, zwarte, rode en gele armen hem zouden grijpen, opende hij zijn mond. Maar de schreeuw bleef hangen in zijn keel. Ineens kwam iemand hem te hulp. Een witte gedaante, die rustig alle armen ontwarde en ze met hun gezichten van de trap af gooide. Sjaak keek ze na. Toen hij weer omhoog keek, herkende hij zijn redder.

‘Dag Sjaak, ken je me nog?’

‘Erik?’ Eindelijk, zijn stem werkte weer. Opgelucht haalde Sjaak adem.

‘Ja, Sjaak. als je de wereld wil verkennen, kun je beter niet naar het verleden rennen. De wereld daar is voorbij. Denk na of je ervan kunt leren maar laat al het andere met rust.’

‘Hij wilde mij een knechtenring geven,’ stamelde Sjaak.

‘Een knechtenring, hè? Die bevat alleen maar narigheid van lang geleden. Het is goed dat je die niet hebt aangepakt. Zo’n ring brengt alleen maar onrust. Jouw toekomst is om te bouwen, niet om het verleden te veranderen. Wat je moet weten, kom je tegen in de toekomst. Jouw toekomst wel te verstaan en die is die kant op,’ zei Erik. Hij wees op de treden naar boven. ‘Maar doe rustig aan, alles heeft zijn eigen tijd.’ Daarop vervaagde het beeld van Erik.

De adem stokte Sjaak in zijn keel tot zijn gids helemaal verdwenen was. Met de eerste stap naar boven maakte de trap plaats voor het duister van zijn slaapkamer. Het duurt even tot zijn bed hem het gevoel van veiligheid weer teruggegeven had, waarop een droomloze slaap de rust in zijn hoofd wist te herstellen.

Alle narigheid rond Sinterklaas had Sjaaks belangstelling voor de krant wel wat verminderd, maar niet helemaal weggenomen. Op een dag viel hem op een voorpagina een foto op van een schilderij. Aandachtig bekeek hij het tafereel en probeerde de tekst eronder te lezen.

‘Mama wat is een pan-eel?’ spelde hij.

‘Laat eens kijken,’ zei Maja. ‘Dat is een heel beroemd schilderij van Jeroen Bosch.’

‘Daar staat Zwarte Piet ook op,’ zei Sjaak, turend naar de foto. ‘En hij heeft ook een ring in zijn oor.’

‘Dat is geen Zwarte Piet, Sjaak. Dat is een wijze koning uit het Oosten, die naar het kindje Jezus komt kijken,’ zei Maja. Maja legde uit wat het schilderij allemaal liet zien.

‘O? Is hij dan de knecht van Jezus?’ wilde Sjaak weten.

‘Nee, joh. Hij komt alleen om Jezus te zien.’

‘Toen Meike nog een baby was, kwam er helemaal geen koning.’

‘Nee jongen. Meike is toch gewoon jóuw zusje.’
Sjaak bekeek het schilderij op de foto nog eens goed en vroeg tenslotte ‘Is dit ook een kindersprookje?
Maja had een keer geslikt en gezegd: ‘Laat Cindy maar even uit. Die wil vast wel een eindje lopen.’

Het weekend voor Kerst wandelt Sjaak met zijn ouders en zusje over een kerstmarkt. Cindy loopt aan de riem naast Sjaak. Een levende kerststal siert het plein aan de rand van de markt. De kribbe met een pop staat onder een luifel die rust op een paar kromme boomstammen. Bovenop de luifel liggen grijze lappen en bussels stro, zodat het net een grot lijkt. Schapen liggen lui te kauwen in een berg hooi waarmee een ezel tegelijk zijn maaltijd doet. Een herder is gekleed in een donkerbruine pij en leunt op zijn staf. Zijn ogen dwalen langs de mensen, al lijken ze hen niet te zien. Rond de kribbe zitten een man en een vrouw op een krukje. Ze kijken naar de pop in de kribbe. Achter hen staan nog een paar mensen in vreemde kleren. Sjaaks aandacht geldt echter niet de schapen of de ezel. Zelfs niet de pop in het stro. Met open mond kijkt hij naar de donkere figuur helemaal achterin de grot.

‘Daar staat nog een Zwarte Piet,’ roept hij.
Meike valt hem bij en begint ook te roepen.
Don en Maja kijken in de richting van Sjaaks vinger. ‘Nee joh,’ zegt Don. ‘Dat is een koning die komt kijken naar het kindje in de kribbe.’

‘Oh,’ zegt Sjaak. ‘Maar hij ziet er wel uit als Zwarte Piet,’ roept hij hard genoeg voor alle omstanders.

Sjaaks uitroep verzacht de stuurse plooi op veel gezichten tot een glimlach. Besmuikt gemompel verjaagt de grauwheid van het weer en de verveling van de gezichten.

‘Ssjjjt,’ zegt Maja, ‘niet zo hard.’

Sjaak kijkt haar verbaasd aan, maar houdt zijn mond.

Don schiet in de lach. ‘Ach joh, wat geeft dat nou?’

‘Die jongen heeft gelijk,’ schreeuwde plots iemand achter hen. ‘Waarom is het kindje wit en die koning zwart? Ik vind … .’

Het tumult achter hen neemt plots in alle hevigheid toe. Iemand klimt over het hek van de kerststal. Een van de herders probeert de man tegen te houden. De schapen zetten het op een lopen en de ezel begint te balken. De drie koningen leggen hun cadeaus in het stro achter in de tent en helpen mee om de man weer naar buiten te werken. Maar als er een tweede en derde man zich ermee gaan bemoeien is het hek van de dam. De kerststal ziet eruit alsof er een bom ontploft is. Kreten als ‘heiligschenner’ en ‘racist’ vliegen over de markt.

In de drukte rukt Cindy zich los, rent achter de vechtende mannen langs de kerststal in en gaat voor de kribbe in het stro liggen. Zonder zich te bedenken vliegt Sjaak achter Cindy aan. Bij de kribbe aangekomen, pakt hij Cindy’s riem en spreekt haar vermanend toe.

‘Cindy, kom. Dadelijk krijg je ook nog een schop van die mensen.’ Sjaak trekt aan Cindy’s riem. Maar ze blijft daar liggen met haar kop op haar voorpoten alsof er niets aan de hand is. Sjaak is daar zo druk mee dat hij niet in de gaten heeft, dat het duwen en trekken wegebt. Met open mond staan mensen naar Sjaak en zijn hond te kijken.

Eindelijk ziet Don kans om bij de kribbe te komen en Sjaaks hand en Cindy’s riem te pakken. ‘Kom gauw,’ zegt hij en trekt ze de kerststal uit.

Sjaak kijkt nog even om en zegt: ‘Papa, die mensen zijn zeker ook langs die trap naar beneden gegaan.’