De verleiding / een verhaal van Ruud Macco

De Verleiding

Download dit verhaal:

File Description
epub SdK 8 De Verleiding
pdf SdK 8 De verleiding

Voorwoord


Pasen is het feest van nieuw leven, nieuw elan, nieuwe hoop en de poort naar een nieuwe toekomst. Helaas moeten we die poort ieder jaar opnieuw zien te openen. Steeds weer worden hoopvolle verwachtingen door de realiteit de grond ingeboord in plaats van te worden omgezet in waarden, waarmee het leven van iedereen kan worden veraangenaamd.

Pasen is het feest om na te denken over hoe het anders zou kunnen. Over de waarden waarvoor mensen elkaar het leven moeilijk maken en en vele gevallen zelfs onderbreken. En over de legitimiteit, die ze daarvoor denken te hebben.

In de serie over Sjaak de Kolck verschenen eerder de volgende episodes:

SdK 1 In Goede handen, 13 december 2011
SdK 2 Sjaak’s Nieuwe kans, 3 april 2012
SdK 3 Een nieuw leven, 24 december 2012
SdK 4 Sjaak de Kolck, 26 maart 2013
SdK 5 Sjaak’s moeizame start, 20 december 2013
SdK 6 Sjaak’s prille les, 18 april 2014
SdK 7 Sjaak’s kracht, 16 december 2014

Ruud Macco
25 maart 2015

De verleiding


Na zijn avontuur als zwerver voor één nacht probeert Don de draad van zijn leven weer op te pakken. Om zijn kwijnende handel nieuw leven in te blazen, bestelt hij een nieuwe partij sokken en kousen en leggings in modieuze kleuren. Nieuw voor hem is de verkoop van strakke spijkerbroeken. Met de vrees en hoop, die veel ondernemers niet vreemd is, meldt hij zich weer voor zijn vaste stek op de weekmarkt.

‘Heej Don, weer terug?’ roept zijn buurman joviaal. ‘Ik heb je gemist.’

‘Ja, joh. Ik heb mijn assortiment wat uitgebreid. Een beetje met de mode meegaan, weet je,’ roept Don terug. Onder het praten door richt hij met korte, snelle bewegingen zijn kraam in.

‘Begin jij nu ook ineens met treggings? Je komt aan mijn handel,’ snauwt een ander buurman.

‘Ach man. Wat zeur je nou,’ roept Don narrig terug. ‘Als de markt niet groot genoeg is voor ons tweeën kunnen wij er allebei beter gelijk mee ophouden.’

Die dag is de handel lauw. Net als zijn buurman probeert Don de weinige mensen, die er lopen, naar zijn kraam toe te roepen. Om beurten verlagen ze de prijzen. Don ziet zijn winstmarge zienderogen verdampen. Aan het eind van de dag zit bijna zijn hele handel weer in de bus. Onderweg naar huis voedt het verkeer zijn ergernis. Getoeter van andere getergde automobilisten transformeert hij in rauwe scheldpartijen. Don parkeert zijn bus voor de deur en smijt het portier met een klap dicht.

Maja staat voor het raam en ziet hem aankomen. Met zijn hangende schouders en zijn handen in zijn zakken straalt hij een somberheid uit, die haar op afstand al het ergste doet vrezen. ‘Papa is, geloof ik, niet zo vrolijk, manneke,’ zegt ze tegen Sjaak, die zich voor haar voeten dringt om opgetild te worden. Ze pakt zijn handje en loopt met hem naar de hal.

‘Ik ben thuis,’ klinkt het kortaf door het huis. Die mededeling werd kort en krachtig afgesloten met een luide knal.

‘Die is dicht,’ zegt Maja tegen Sjaak. Zachtjes doet ze de kamerdeur achter haar dicht. ‘Hai Don, geen goede dag geweest?’

‘Naatje. Mensen blijven op hun centen zitten,’ zegt Don. Werktuiglijk geeft hij haar een zoen en loopt naar de kapstok om zijn jas op te hangen. Zijn dikke trui verdwijnt na een korte worsteling met een welgemikte worp bovenop de kapstok. Dan loopt hij naar Sjaak en tilt hem hoog boven zijn hoofd.
Sjaak schatert het uit als hij hoog boven zijn ouders net onder het plafond lijkt te zweven.

‘Ga nooit de handel in jongen. Doe je best op school en zorg dat je een goed betaalde baan krijgt,’ adviseert Don. Dan zet hij Sjaak neer en loopt naar Maja. Hij pakt haar om haar middel en begraaft zijn gezicht in haar hals.
Zonder woorden streelt Maja hem over zijn haren en over zijn rug. ‘Het moet anders, hè?’ fluistert ze tenslotte in zijn oor. Aan de korte beweging van zijn hoofd weet ze het antwoord.

‘Maar ik moet mijn handel nog wel kwijt zien te raken,’ zegt Don, terwijl hij zich van Maja losmaakt. ‘Er staan nog wat rekeningen open.’

‘Hoeveel tijd hebben we nog?’

‘Hooguit een maand of twee. Als de bank zolang op zijn hypotheekrente wil wachten, tenminste.’

‘Als ik er nou eens een baantje bij neem?’ stelt Maja voor.

‘En jouw verdiensten gelijk weer aan de crèche geven zeker. Ik kan beter zelf op zoek gaan naar werk en de markt zolang als we kunnen door blijven doen.’

‘En jij denkt daar de tijd voor te hebben?’ zegt Maja.

‘Daar vind ik dan wel wat op. Voor Sjaak is het in ieder geval beter als jij er thuis voor hem bent.’

Maja’s tegenwerpingen vallen vruchteloos op de bodem van Don’s harde besluit. Die avond schrijft hij zijn eerste sollicitatiebrief. Trots laat hij het resultaat aan Maja zien.

‘Heb je hem al verstuurd?’ vraagt ze.

‘Nog niet. Weet jij of ik nog wat vergeten ben?’

‘Waar is je CV?’

‘Die moet ik nog maken.’

‘Doe dat en laat mij die brief schrijven,’ zegt Maja op een manier, die geen ruimte voor tegenstand biedt.

De weken die volgen staan in het teken van sollicitaties, teleurstellingen en een flauwe markt. Het geld dat Don verdient, gaat voor het grootste deel naar de schuldeisers. Het is bij lange na niet genoeg. Hun reserves raken uitgeput en Don’s baan laat op zich wachten.

‘Waarom lukt het anderen wel en jou niet?’ vraagt Maja op een dag als ze op haar boodschappenlijst zit aan te strepen, wat het hardst nodig is. ‘Sjaak moet nodig nieuwe kleren. Och arm, zijn beentjes steken blauw van de kou onder dat veel te korte broekje uit.’

‘Ja, weet ik dat,’ snauwt Don. ‘Misschien schrijf ik ze alleen voor hun prullenbak.’

‘Dan zal je andere brieven moeten schrijven,’ zegt Maja.

‘Toevallig gebruik ik de eerste brief, die jij hebt geschreven, nog steeds als voorbeeld.’

‘Daar komt de post,’ zegt Maja. ‘Misschien zit er iets bij.

Don vliegt bijna naar de voordeur. Hij komt terug met een brief van de bank.

‘Hier maak jij die maar open,’ zegt Don.

Met bevende vingers en opwellende tranen opent Maja de brief.

‘We krijgen een week de tijd om de achterstallige termijnen te betalen.’ Maja houdt de brief onder Don’s neus.

‘Vanaf de dagtekening. De tweede maart! Dat was eergisteren. We hebben nog maar drie werkdagen,’ zegt Don, terwijl hij het papier terugduwt naar Maja.

‘Waar halen we een vredesnaam dat geld zo gauw vandaan?’ vraagt Maja zich hardop af.

‘En als we niet betalen?’

Maja leest de brief verder. ‘Dan leggen ze beslag op ons huis,’ zegt ze en laat de brief slap op de grond vallen. ‘Oh Don. Wat moeten we doen? Waar moeten we dan wonen?’

Don kijkt de huiskamer rond. Sjaak speelt in een hoek van de kamer, waar Don voor hem een houten treinbaan heeft gemaakt. Met zijn blokken bouwt Sjaak er huizen omheen en rijgt ze aaneen tot een heel dorp. In een huurhuisje zal daar ook geen plaats meer voor zijn, denkt Don. Maar hij zegt het niet. ‘Ik ga vanmiddag wel met de bank praten,’ zegt hij.

Maar ’s avonds komt Don met hangende schouders thuis. ‘Kunnen we zolang bij jouw ouders wonen tot we weer een eigen huis hebben?’ vraagt hij nog voor hij zijn jas heeft uitgetrokken.

Maja kijkt hem aan vanuit haar hoekje in de bank, zegt niets, maar slaakt een diepe zucht. Ze kijkt de o zo vertrouwde kamer rond en laat haar blik rusten op haar zoon in zijn hoekje.

’Die verrekte bankiers, denken dat ze alles maar je kunnen doen, zolang zij hun geld maar krijgen,’ zegt Don fel ineens. ‘Ze gaan ons failliet verklaren.’ Hij wendt zijn blik af.

Alsof ze zich dan pas realiseert wat er staat te gebeuren, springt ze van de bank omhoog en rent naar boven. ’Dan moeten ik snel mijn oma’s sierraden naar mijn ouders brengen,’ zegt Maja, terwijl ze de trap opstormt. ‘Anders ben ik die ook nog kwijt,’ roept ze van boven. ‘Pak ook een koffer voor onze kleren en Sjaak’s speelgoed,’ schreeuwt ze vanuit de slaapkamer. ‘Snel.’

Alsof er een bomalarm is afgegaan, rennen ze even later allebei door het huis om de meest waardevolle spullen te verzamelen.

Sjaak zet het op een krijsen als hij zijn speelgoed in een koffer ziet
verdwijnen. Hij wil er nog achteraan spurten, maar even later bungelt hij krijsend en wel in de armen van zijn moeder.

‘Failliet?’ roepen Maja’s ouders als Don en Maja met Sjaak aan de hand en een paar koffers bij hen op de stoep staan. ‘Hemeltje lief, wat nu weer?’ Maja’s moeder slaat een hand voor haar mond.

Maja barst in snikken uit. En Don laat zijn hoofd hangen.

‘Nou, kom maar gauw verder. Wat een ellende. En het ging zo goed met je zaak.’ Maja’s moeder pakt Sjaak op en sommeert Maja en Don om binnen te komen.

Maja’s vader staat al in de keuken. ‘Daar kunnen we wel een bakkie troost bij gebruiken,’ bromt hij hoorbaar uit zijn doen.

Maja en Don vertellen beurtelings wat hen is overkomen en hoe de crisis zijn handel om zeep geholpen heeft. Over hun schulden bij de bank en over de laatste investering, die uiteindelijk weggegooid geld bleek te zijn. Maja’s vader hoort het verhaal stilzwijgend aan, terwijl Maja’s moeder honderduit vraagt. Al die tijd klemt Sjaak zich vast aan zijn moeder en geeft haar van tijd tot tijd een knuffel.

‘En nu ben ik op zoek naar een huurhuis en een baan,’ besluit Don zijn verhaal. ‘Maar dat valt niet mee,’ laat hij er somber op volgen.

‘Als je voor nood onderdak moet hebben, dan ben je hier uiteraard welkom. Maar het wordt wel wat schipperen met zijn allen,’ zegt Maja’s vader tenslotte. ‘Maar kijk eerst maar eens welke stappen de bank nu echt onderneemt.’

‘Ach Sjaak moet blijven logeren hoor. Al die spanning is niet goed voor een kind,’ zegt Maja’s moeder. ‘Ik zal zijn kamertje in orde maken.’

Sjaak laat zich na het avondeten gewillig naar bed brengen. Maar de slaap wil niet direct komen. Als hij de buitendeur in het slot hoort vallen, roep hij zachtjes: ‘Papa? Mama?’

Don en Maja keren met lood in hun schoenen terug naar hun huis. Dat ze alles nog aantreffen zoals ze hadden achtergelaten, gaf hen hoop.

‘Misschien heb je je wel vergist,’ oppert Maja ‘En geven ze ons nog wat respijt.’

‘Ja ja, misschien,’ zegt Don. ‘Maar zo klonk het vanmiddag niet.’

De ander ochtend worden ze wakker van de voordeurbel. Maar voor ze goed en wel kunnen reageren, begint er iemand in de voordeur te boren. Haastig trekt Don een ochtendjas aan en wil net de trap afstormen als de voordeur openslaat en hij oog in oog staat met een paar vreemde mannen. Een van hen heeft een net kostuum aan, een hoed op en een aktetas bij zich.

‘Meneer De Kolck?’

‘Ja, wie bent u?’

‘Ik ben Brentjes, gerechtsdeurwaarder. Waarom deed u niet open, toen we aanbelden?’

‘We lagen te slapen,’ zegt Don helemaal overdonderd, terwijl hij langzaam naar beneden loopt.

Bovenaan de trap verschijnt Maja, ook in haar ochtendjas.

‘Goedemorgen mevrouw, het spijt me. We dachten dat u niet thuis was,’ zegt meneer Brentjes.

‘U kunt toch niet zomaar ons huis binnenvallen?’ vraagt Maja verontwaardigd.

‘U mag het hoogstnoodzakelijke meenemen om te voorzien in uw eerste levensonderhoud. In opdracht van de bank leg ik op het overige beslag op basis van artikel….’

De rest van zijn verhaal gaat verloren in een harde bons. Don kijkt verschrikt achterom en ziet Maja bovenaan de trap liggen. ‘Zie je nou, stelletje aasgieren.’ Met twee treden tegelijk stormt hij naar boven. ‘Water,’ schreeuwt hij. ‘Haal water.’

Met wat kleding in een plastic zak , de inhoud van hun koelkast in een andere zak en een stapeltje post onder hun arm staan Don en Maja even later bij Maja’s ouders voor de deur.

‘Papa, Mama,’ roept Sjaak al van verre. Hij stormt de gang in en vliegt zijn moeder in de armen. Die laat prompt alles uit haar handen vallen. ‘Dag vent, was het gezellig bij opa en oma?’ Maja strijkt hem over zijn haren en geeft hem een knuffel.

Don tilt zijn zoon hoog op. ‘Ha die Sjaak,’ roept hij uit. Hij probeert te lachen, maar zijn ogen werken niet mee.

Don smijt de post op de tafel en gaat met zijn hoofd in zijn handen met een lege blik voor zich uit zitten staren. Maja is de eerste die de brief zag liggen.

‘Don, kijk een brief van Clofunc.’ Maja steekt Don de brief toe.

Don staart met lege ogen naar de brief. ‘Vast weer een afwijzing,’ zegt hij.

‘Daar weet je niks van. Hier, openmaken,’ commandeert Maja.

Met trillende vingers trekt Don de enveloppe stuk en haalt de brief er uit. Naarmate zijn ogen de regels langer volgen, schieten ze steeds sneller over het papier en veert Don meer op. Maja is achter hem gaan staan en kijkt met haar beide handen op Don’s schouder mee.

’Het is een uitnodiging om te komen praten,’ zegt hij tenslotte alsof hij verrast is dat nog iemand interesse in hem zou willen hebben.

‘Misschien komt toch alles nog goed,’ zegt Maja’s vader. ‘Zo zie je maar weer, je moet nooit wanhopen.’

Maja pakt de brief uit zijn handen en leest hem nog een keer. ‘Woensdag staat er. Dat is morgen al!’ Ze geeft Don een kus op zijn hoofd, veegt haar ogen weer droog en gaat gelijk over tot de praktische voorbereiding. ‘We moeten jouw pak uithangen en je overhemd strijken. Pap, heb jij misschien nog een nette das voor Don?’

Als Don wordt binnen geleid in het kantoor van de manager van Clofunc valt zijn mond open van verbazing.

‘Ik zie, dat je me hier niet had verwacht Don,’ zegt de man.

‘Nee, niet echt Paul. Jij had toch ook een kraam op de markt?’

‘Ja, maar ik ben voor mezelf begonnen. En dat gaat prima zoals je ziet.’ Paul maakt een theatraal gebaar naar de luxe inrichting van zijn kantoor.

‘Ik zie het. Misschien had ik dat ook moeten doen. Maar ik vond de handel op de markt…’

‘Gezelliger. Ja ik weet het Don. Maar dat gaat niet zo best meer. Ik zag mijn nering wegkwijnen en heb op tijd de bakens verzet. Ik hoorde trouwens, dat het jou niet zo goed is gegaan. Klopt dat?’

‘Ja, Paul, dat klopt. Ik ben failliet.’

‘Ja dat hoorde ik. En nu ben je op zoek naar werk, begreep ik. Nou dat komt goed uit, want ik zoek net iemand, die de markt een beetje kent.’

Onder het genot van een kop koffie smeden Paul en Don al plannen voor de verdere ontwikkeling van Clofunc. Hun gemeenschappelijke verleden blijkt als een bindmiddel te werken.

‘Don, zullen we de knoop gelijk maar doorhakken? Wat mij betreft begin je morgen.’ Paul steekt zijn hand uit.

Don slikt even, maar pakt de uitgestoken hand. ‘Akkoord. Maar geef me een deze week nog om een andere woning te zoeken.’

‘Dat is goed. Succes daarmee en tot maandag. Doe de groeten aan Maja,’ zegt Paul bij het afscheid.

‘Zal ik doen, Paul. Enne, ik laat je snel ons nieuwe adres weten.’

Nog beduusd van het plotselinge succes, vertelt Don het verhaal aan Maja en haar ouders. Gesteund door hun enthousiasme kiemt de euforie eindelijk ook bij Don. Het geluk van die dag bezorgt hen zelfs een huurwoninkje voor niet al te veel geld. Kleiner dan ze gewend waren, dat wel, maar met een verfje en een nieuw behangetje toch een knap huisje. Met de hulp van zijn schoonvader zijn die klussen snel geklaard. Meubels van de kringloopwinkel completeren hun nieuwe start. Moe van het werk in en rond hun nieuwe huisje gaat Don die maandag bij Clofunc aan het werk.

‘Is het een beetje naar de zin?’ vraagt Paul.

‘Het is kleiner dan we gewend waren en de meubels zijn eigenlijk niet onze smaak. Maar ja alle begin is moeilijk. Ook voor de tweede keer,’ zegt Don.

‘Het komt vast goed.’

‘Als jouw drive een maat is voor ons succes dan geloof ik daar ook in, Don,’ zegt Paul. ‘Dan groei je zeker mee met het bedrijf.’

‘Zodra we het ons weer kunnen permitteren, drinken we daar een biertje op, Paul.’

‘Daar houd ik je aan, al heb ik persoonlijk liever een wijntje’

Don houdt woord. Met het eerste salaris op zijn rekening nodigt Don zijn nieuwe baas bij hem thuis uit om de samenwerking met een glas wijn te vieren.

‘Hoi Maja. Ken je me nog?’ zegt Paul bij binnenkomst.

‘Met alle verhalen, waar Don de laatste weken mee thuiskomt, lijkt het wel alsof ik je al mijn hele leven ken, Paul,’ zegt Maja. ‘Ga zitten en kijk niet naar de rommel.’

Sjaak staat ineens in het middelpunt van de belangstelling. Paul gaat vlakbij hem op zijn hurken zitten en aait Sjaak over zijn bol. Sjaak bedenkt zich geen moment, staat op en loopt naar zijn vader om zich achter hem te verstoppen.

‘Een beetje eenkennig nog,’ zegt Paul energiek overeind verend. ‘Jullie wonen hier best wel aardig.’

‘We zijn er blij mee,’ zegt Maja. ’Het is beter dan inwonen bij je ouders.’
‘Jaja zelfstandigheid en vrijheid sta je niet makkelijk meer af,’ zegt Paul.

‘Kom ik zal je de rest van het huis laten zien, Paul’ zegt Maja.

‘Ja leuk.’

’Don blijf jij even bij Sjaak?’

‘Goed, we passen ook niet allemaal tegelijk in die kamertjes.’

Sjaak laat zich echter niet onbetuigd. Hij probeert zich te ontworstelen aan zijn vader. Die poging ziet hij echter stranden doordat zijn vader hem nog net bij een arm kan grijpen. Sjaak bedenkt zich echter geen moment en produceert zoveel lawaai als zijn kleine stembanden maar kunnen produceren. Het helpt echter niets.

‘Mama komt zo weer beneden,’ zegt Don. Met veel moeite weet hij het kleine spartelende manneke in bedwang te houden.

Met betraand gezicht ziet Sjaak zijn moeder met die vreemde kerel de deur uitlopen. Dan verstomd zijn gekrijs en legt hij snikkend zijn hoofd tegen Don’s borst.

‘Zal ik even voor gaan?’ zegt Maja en wil voor Paul de trap oplopen.
Maar Paul pakt haar bij de schouders en zegt: ‘De trap op laten de dames de heren voorgaan.’ Met zachte drang dirigeert hij haar aan de kant en loopt voor Maja aan de trap op.

In het duister van de hal voelt ze het rood van een aangename warmte opkomen, terwijl ze onbewust de rijzige gestalte van Paul monstert.

Behalve voor Sjaak verloopt de rest van de middag aangenaam. De wijn valt goed en zorgt voor een ontspannen sfeer. Sjaak probeert daar wat aan te doen door met zijn speelgoed door de kamer te gooien, op stoelen en tafels te klimmen en met een deur te gooien. Don en Maja negeren hem zoveel mogelijk. Alleen als hij Paul iets naar diens hoofd gooit, wordt hij even in een hoek gezet. Bij het avondeten nemen Don en Maja automatisch hun eigen plaatsen in en krijgt Sjaak zijn vertrouwde plek aan het hoofd van de tafel. Paul krijgt een plekje naast Maja. Maja dient een eenvoudige maaltijd op, die goed past bij de gekozen wijn. Het eten smaakt iedereen prima, behalve Sjaak.

Sjaak kijkt van de een naar de ander. Hij schuift zijn bord aan de kant en maakt aanstalten om van zijn stoel te klimmen.

‘Waar ga je heen Sjaak? Je moet toch een beetje eten?’ zegt Maja. Ze schuift zijn bord weer voor zijn neus.

Sjaak schudt zijn hoofd. ‘Nee.’ roept hij beslist en maait zo wild met zijn armpjes, dat het bord op de grond belandt. ‘Nee,’ roept hij nog een keer.

‘Als je niet wilt eten, Sjaak, dan ga je direct naar bed,’ zegt Don. Hij pakt zijn zoon op en neemt hem mee naar boven.

Maar Sjaak laat zich niet onbetuigd en blijft schreeuwen. ‘Mamaaaa, mahammaaaa,’ snikt hij steeds weer.

Don zet hem schreeuwend en wel in zijn bed en gaat weer naar beneden.
Als Paul uiteindelijk naar huis gaat, ligt Sjaak in zijn slaap nog steeds te snikken.

Maja buigt zich over hem heen en geeft hem zacht een kus op zijn voorhoofd. Dan is het ook tijd voor haar om naar bed te gaan. Als ze de slaapkamer binnen komt, ligt Don al te snurken. Zachtjes legt ze haar kleren op een stoel en nestelt zich naast Don. Maar die is buiten westen en draait zich met luid misbaar op zijn andere zij.

Ze kan een teleurstelling niet onderdrukken. Maar het enige dat ze kan doen is naar zijn ademhaling liggen luisteren en terug te denken aan die avond en aan Paul tot ze in slaap valt.

In zijn droom staat Sjaak aan de hand van zijn moeder. Ze kijkt van zijn vader naar diens baas en weer terug. Dan lopen ze samen naar een groot huis. Voordat ze aanbellen doet Paul de deur open en wenkt hen naar binnen. Achterom kijkend ziet hij hoe zijn vader tussen twee politieagenten wordt weggevoerd. Dan schrikt hij wakker en roept: ‘Papa, nee papa.’

Als hij zijn moeder ziet, roept hij nog een keer om zijn papa.

‘Papa slaapt, manneke. Zullen we hem maar even laten slapen? En ga jij ook maar weer lekker slapen.’

Sjaak schudt zijn hoofd en zegt: ‘Nee, ik wil papa.’

Maja wrijft hem zachtjes over zijn slapen.

Sjaak voelt de slaap komen. ‘Papa is lief, hè mama?’

‘Ja kereltje. Papa is lief. En ga nu maar lekker slapen.’

Als Sjaak zich weer heeft overgegeven aan de slaap komt een nieuwe droom hem plagen.

In een grijze wereld sjokt hij door de stad. Achter hem is de weg helder verlicht en staan weelderige bloemen in een prachtig park. Maar voor hem is alles grauw en somber, alsof er een dichte mist hangt, die hem het zicht niet gunt. Sjaak wil terug naar die rijkdom van kleur en licht, maar zijn benen lijken van lood. Dan probeert hij de mist weg te slaan en van zich af te blazen. Tevergeefs, niets lijkt te helpen. Uitgeput laat hij het hoofd hangen. In die grauwsluier schreeuwt aan zijn voeten een bloedrode roos in volle bloei om aandacht. Sjaak bukt en bekijkt het kleine wonder. Als hij hem pakt, prikt een doorn hem venijnig. Met een vinger in zijn mond breekt hij de doorn er af. De roos is zo mooi, dat haar schoonheid hem lijkt hem te hypnotiseren. ‘Roos, wat wil je mij vertellen?’ denkt Sjaak.

De roos lijkt hem met haar blaadjes te wenken. Ze geeft hem een intens warm gevoel, dat hem zo dierbaar is in die grijze troosteloze wereld, dat hij haar op zijn hart in zijn trui steekt.

Als hij daarna zijn blik weer richt op de weg voor hem, ziet de wereld er ineens heel anders uit. Zonnestralen scheuren de mist aan flarden, het frisse groen van weelderige planten omgeven hem en bloemen staan te pronken in een waaier van kleuren.

Beschermend legt hij zijn hand om de roos op zijn hart. Zijn adem stokt.

Als hij wakker wordt is de kamer gehuld in duisternis. Het verdriet om het verlies van die mooie wereld ontsnapt aan zijn longen. Zijn handjes grijpen tevergeefs naar zijn borst.

De dagen daarna is Sjaak zo van slag dat Don en Maja zich zorgen gaan maken. Hij lijkt weg te dromen in zijn spel. Zijn eten lijkt hem niet te smaken en zijn ogen staan dof.
Don en Maja kijken hem tevergeefs na op het verschijnen van pukkeltjes, bultjes of blaasjes. Meer fruit, meer melk, vitamines, meer slaap, niets lijkt te werken tot aan de dag voor Don’s zakenreis.

‘Kijk hem nou weer eens spelen,’ zegt Maja tegen Don als hij thuiskomt van zijn werk. ‘Moet je dat huis zien. Dat heeft hij vandaag helemaal zelf gebouwd.’

Don gaat op zijn hurken ziteen en bewonderd uitgebreid het bouwwerk. ’Wauw, Sjaak, dat heb je knap gebouwd, kerel.’

‘Jamer, jeugen, sapen…’ Trots legt Sjaak uit hoe het huis in elkaar zit, terwijl zijn vingertje boven het huis zweeft. ‘Tuin, Roosjj…’

Het lijkt al weer een eeuwigheid geleden, dat ze met zijn drieën zo gezellig hebben gegeten. Na het eten laat Sjaak zich gewillig naar bed brengen, waar hij als een blok in slaap valt.

‘Ik heb eigenlijk helemaal geen zin om een week van huis te zijn,’ zegt Don. Somber staart hij in zijn kopje koffie alsof hij daaruit de nodige energie wil halen.

‘Ach joh, het is maar een weekje. Wees blij dat je werk hebt. Als je Paul niet was tegengekomen…’ zegt Maja.

‘Ja ja ik ben hem heel dankbaar, maar toch was ik liever thuisgebleven,’ houdt Don vol.

De andere ochtend, staat alles in het teken van Don’s vertrek.

‘Heb je genoeg ondergoed en sokken bij je? Geld, credit card, paspoort rijbewijs? Moet je niet nog een extra shirt meenemen? Je weet nooit.’ Maja blijft net zolang door pakken tot Don’s koffer tot de nok toe gevuld is.

Don drinkt zijn koffie en neemt nog een extra mok om zijn ontbijt weg te spoelen. ‘Stop nou maar,’ zegt hij tussen twee slokken door. ‘Ik moet hem nog wel meesjouwen!’

Sjaak zit op zijn stoel aan tafel te wiebelen met zijn beentjes en smeert onbelemmerd wat met zijn brood. ‘Papa op reis,’ zegt hij met zijn vingers en zijn pyjama onder de chocopasta.

Als het moment van vertrek is aangebroken neemt Don uitgebreid afscheid van Maja en Sjaak.

‘Ga nou maar, anders mis je je bus nog,’ spoort Maja hem aan.

Eindelijk trekt Don dan toch de deur achter zich dicht. Tot aan het eind van de straat kijkt hij achterom om naar Maja en Sjaak te zwaaien. Ze blijven hem voor het raam nakijken, tot hij uit het zicht verdwenen is.

Net als iedere dag zijn ze met zijn tweeën. Alleen voelt het voor Maja heel anders. Ze wast en kleedt Sjaak, doet boodschappen, drinkt koffie, luncht, poetst, wast, strijkt en maakt het avondeten klaar. Tegen de avond gaat de telefoon.

‘Hoi Maja. Met Paul. Gaat het een beetje nu Don op reis is?’

‘Hoi Paul. Ja, het gaat wel. Eigenlijk is het net als anders. Alleen hoef ik nu maar voor twee te koken.’

‘Ja, dat is niet zo gezellig natuurlijk. Hé, weet je wat? Morgenmiddag is mijn agenda leeg. Ik kan wel even aanwippen voor een kopje thee, als je dat leuk vindt.’

‘Eh, ja, dat kan wel,’ zegt Maja.

‘Nou tot morgen dan, Maja. Gezellig!’

‘Tot morgen, Paul.’ Met een opkomend branderig gevoel in haar buik verbreekt ze de verbinding.

Het duister van Maja’s slaapkamer laat haar die nacht het gezicht van Paul zien. Om dat te verjagen, knipt ze het licht aan en kijkt naar de foto van Don. ‘Don is wel veel veranderd de laatste jaren,’ denkt ze. ‘Zorgen hebben hem getekend.’ Gelukkige jaren drijven door haar gedachten. Ze gaat naar de WC, stapt weer in bed, knipt het licht uit en kijkt opnieuw recht in het lachende gezicht van Paul. En ze voelt zijn handen op haar heupen toen hij voor haar de trap op wilde lopen. Dan glijdt ze weg in een droom vol verwachtingen.

‘Mammaaaa, bij jou slapen,’ zegt Sjaak. ‘Mammaaaa,’ Hij slaat haar op haar neus.

‘Hè, watte. Ohh Sjaak, ben je wakker? Het is nog lang geen ochtend.’

‘Bij jou slapen,’ zeurt Sjaak.

‘Nee, dat doen we niet. Slapen moet je in je eigen bed doen. Kom, dan leg ik je weer op je eigen bedje.’

Maja slaat de dekens terug en zwaait haar benen over de rand van het bed.

‘Mama bloot?’ zegt hij met een grimas op zijn gezicht.

‘Ja Sjaak, het was zo warm. Nou kom, naar je eigen kamertje.’

Verrast door het ongewone van de situatie laat Sjaak zich gewillig op zijn eigen bed leggen, steekt zijn duim in zijn mond en knijpt zijn ogen dicht. Maja duikt haar eigen bed weer in en knipt het licht uit. De vlek, die de brandende lamp op haar netvlies heeft achtergelaten, wil echter niet doven. De bol groeit uit tot een pulserende gloed, waarin zij Don en Sjaak samen ziet spelen, leren, rennen en werken. En dan die handen van Paul weer en zijn gezicht, zo vlak bij het hare.

Als Sjaak de tweede keer bij haar bed staat schijnt de zon al door de gordijnen. Haastig staat ze op, slaat een ochtendjas om haar heen en geeft Sjaak een dikke knuffel. ‘Goedemorgen Sjaak. Het is mooi weer buiten. Zullen we vanmorgen naar de kinderboerderij gaan?’

Moe van alles wat de kinderboerderij te bieden heeft, geniet Sjaak van zijn middagslaapje. Het luidruchtige aanbellen van Paul maakt hem ruw wakker. Prompt barst hij in huilen uit.
Maja doet vlug de voordeur open. ‘Paul je moet me niet kwalijk nemen, maar Sjaak is net wakker geworden. Ik haal hem even uit bed. Maak het je intussen even gemakkelijk.’

‘Ik heb hem toch niet wakker gebeld?’ vraagt Paul tegen beter weten in.

‘Het geeft niet, maar ik kan hem niet zo laten liggen.’

Maja stormt naar boven om Sjaak te troosten. ‘Paul is er ook, Sjaak. Gezellig hè?’

Sjaak geeft geen antwoord. Met een schone broek en nieuwe kleren komt hij op de arm van Maja de huiskamer in. Als hij Paul ziet, begraaft hij zijn gezicht in haar hals.

Paul komt bij hem staan en kriebelt Sjaak in zijn nek. Met zijn hoofd schudt Sjaak hem wild van zich af. ‘Een beetje eenkennig, niet?’

‘Laat hem maar even, hij draait wel bij,’ zegt Maja.

Na een beker drinken en een koekje zit Sjaak even later inderdaad rustig in zijn speelhoek. Vandaar werpt hij regelmatig een steelse blik naar zijn moeder, die naast Paul op de bank is gaan zitten.

‘Wat doe je nog meer behalve het huishouden en het zorgen voor Sjaak?’ vraagt Paul.

‘Vind je het niet genoeg dan?’

‘Jawel, maar wat afwisseling is ook wel eens aardig, lijkt me.’

‘Eerder hielp ik Don met zijn zaak,’ zegt Maja. ‘Dat vond ik best wel leuk. Maar dat was al afgelopen toen het allemaal wat minder ging. Koekje?’ Maja reikt naar de koektrommel op het tafeltje voor hen. In die beweging voelt ze Paul’s hand haar haren achter haar oren strijken. Een korte aarzeling, met haar hand op de koektrommel geeft Paul de gelegenheid om zijn hand via haar nek langs haar rug naar beneden te laten glijden.

‘Je bent nog een knap moedertje,’ zegt Paul.

‘Paul, misschien is het niet zo verstandig…’ begint Maja. Ze houdt hem de koektrommel voor.

‘Nee, dank je. Ik snoep het liefst gezond.’

‘Dat voel ik,’

‘Vind je het vervelend?’

‘Nee, ehh ja. Niet echt, maar Don zal…’

‘Don hoeft er toch niets van te weten?’

Sjaak is zijn spel vergeten. ‘Papa?’ zegt hij als zijn moeder en Paul elkaar kussen.

Maja en Paul staan gelijk op en lopen naar de hal. Maja draait zich nog even om naar Sjaak en zegt: ‘Blijf maar even lekker spelen, Sjaak. We zijn er zo weer.’

‘Mee, mama. Mammaa,’ roept Sjaak en rent ook naar de deur, die voor zijn neus wordt dichtgetrokken. Krakende traptreden en een dichtslaande deur verraden waar de twee naar toe gaan.

Teleurgesteld draait Sjaak zich om. Zijn ouders vangen zijn blik vanaf hun trouwfoto aan de muur. ‘Papa, mama,’ zegt hij. Hij loopt erheen en probeert op zijn teentjes er bij te komen.

Boven kraakt een bed.

Sjaak bedenkt zich niet langer en sleept een stoel naar de foto. Met veel moeite klautert hij er op. Met beide handjes pakt hij de foto van de muur en gooit hem op de grond. Het glas springt met luid gerinkel uit elkaar en spat alle kanten op. Met grote ogen kijkt hij naar het resultaat ver beneden hem.

Als enige vult het krakende geluid van boven nu de huiskamer.
Sjaak luistert even. Dan springt hij van de stoel af en tuimelt even later tussen de glassplinters op de grond. Beduusd blijft hij even liggen. Het is weer stil om hem heen. Een vervelend gevoel in zijn vingers dringt ineens tot hem door. Als hij naar zijn handen kijkt en het bloed ziet, dat nu overal naar toe loopt, zet hij het op een krijsen. Een hoge en harde gil ontsnapt aan zijn keel.

Een luid gekraak boven hem, een heftig gestommel, luide stemmen klinken nu tot hem door.

‘Nee Paul, er is iets met Sjaak,’ hoort hij zijn moeder zeggen. Tussen twee ademtochten in breekt er even een glimlach door op zijn gezicht. Boven hem zwaait een deur open. Harde voetstappen op de trap, waarvan de cadans ineens anders wordt en overgaat in een luide kreet, die eindigt in een harde klap in de hal.

‘Sjaak, wat is er?’ Met een pijnlijk gezicht en vuurrode strepen op haar lichaam stormt Maja de kamer binnen. Als ze de ravage ziet, slaat ze haar handen voor haar gezicht. ‘Paul gooi mijn pantoffels even naar beneden, snel. Sjaak bloedt doooood.’ Dat laatste komt schril uit haar keel

‘Wààt?, roept Paul terug. Met een bundel kleren onder zijn armen haast hij zich de trap af. ‘Shit, wat is hier gebeurd?’ Zijn opwinding neemt op slag andere vormen aan. ‘Kinderen ook altijd.’

‘We moeten met hem naar het ziekenhuis,’ zegt Maja. Haastig trekt ze haar pantoffels aan en hurkt tussen de scherven naast Sjaak. Voorzichtig pakt ze hem op en bekijkt de sneden in zijn handen. ‘Moet je kijken hoe diep die zijn,’ zegt Maja. ‘Die moeten vast gehecht worden. Paul, pak even wat verband uit de badkamer.’

‘Zoveel tijd heb ik niet, Maja. Ik moet nodig terug naar kantoor.’

‘Wat ben jij een zak zeg. Is dat kantoor belangrijker dan het leven van mijn zoon?’

Mopperend haast Paul zich naar boven, haalt de badkamerkast overhoop en komt met een rol verband en pleisters terug. Eenmaal beneden schiet hij gelijk weer naar boven en komt even later gekleed weer benden.

Maja probeert Sjaak te troosten. Zijn waterlanders vermengen zich met het bloed. Binnen de kortste keren zit ook Maja helemaal onder.

‘Je redt het wel verder hè?’ zegt Paul. ‘Ik ga nu gauw terug voor ze me missen.’ Hij neemt zijn autosleutels in de hand en vertrekt.

‘Ga maar. Je hoeft hier ook niet ‘gezellig’ meer op de thee te komen,’ roept ze hem na. ‘Een beetje meer gevoel had ik wel van je verwacht.’ In de keuken verbindt Maja Sjaak’s handjes zo goed mogelijk. ‘Paul is niet lief, hè,’ zegt ze tegen Sjaak.

Sjaak schudt zijn hoofd. ‘Nee,’ brengt hij met een snik uit.
Ze knoopt een luier om zijn nek, waarin Sjaak zijn handjes moet houden. Maja schiet in haar kleren. Ze zet Sjaak in zijn autostoeltje en rijdt met spoed naar het ziekenhuis.

’s Avonds als Sjaak met een betraand gezicht in slaap is gevallen, sluipt Maja stilletjes naar beneden. Ze begint de rommel op te ruimen. Pas als ze de besmeurde foto ziet, komen de tranen en een diep gevoel van schuld en spijt.

‘Wat een zak,’ moppert ze in zichzelf.

En Sjaak droomt zijn droom.

Met een roos bij zijn hart in zijn trui gestoken loopt hij in de lentezon door het park. Er zijn veel mensen, die er op die mooie dag op uit zijn getrokken en zich willen laven aan die eerste weldadige warmte van het jaar. Over het gazon loopt een oude bekende op hem af.

‘Hallo Sjaak,’

‘Hallo Cindy, Ben je alleen?’

‘Dat lijkt maar zo, Sjaak. Echt alleen ben je nooit.’

Sjaak kijkt om zich heen. ‘Waar is Erik dan?’

‘Op de achtergrond, Sjaak. Hij stak je de roos toe,’ zegt Cindy wijzend op de bloem. ‘En je hebt het begrepen, kijk maar!’ Cindy wijst naar paartje op een bankje in een weelderig gazon van het park. Ze gaan zo in elkaar op, dat al het moois om hen heen niet lijkt te bestaan. De bloemen rond het bankje hebben hun kelken al uitnodigend geopend om de vroege bijen te ontvangen.

‘Zie, je hebt alles van jezelf gegeven om het licht van hun toekomst veilig te stellen, Sjaak’

Als Sjaak goed kijkt, herkent hij de beide mensen.

‘Papa, mama,’ mompelt hij in zijn slaap, net op het moment dat Maja zich met betraande ogen bezorgd over hem heen buigt en hem voorzichtig een kus op het voorhoofd drukt.