Het Kerstdiner - een verhaal door Ruud Macco

Het Kerstdiner

Voorwoord


Dit is de negende aflevering van het verhaal over de belevingswereld van Sjaak. Wat begon als een kerstverhaal is inmiddels langs diepere gedachten over kerst en pasen uitgegroeid tot een serie, waarin belevenissen van Sjaak de Kolck een afspiegeling zijn van hetgeen iedereen kan overkomen.

Of de lezer de voorvallen als gelukkig of ongelukkig ervaart, hangt vooral af van zijn of haar eigen levenservaringen. De manier waarop Sjaak steeds weer handelt, zet hopelijk aan tot nadenken over de waarde van geluk en ongeluk in het leven.

In de serie over Sjaak de Kolck verschenen eerder de volgende episodes:
SdK 1 In goede handen, 13 december 2011
SdK 2 Sjaak’s nieuwe kans, 3 april 2012
SdK 3 Een nieuw leven, 24 december 2012
SdK 4 Sjaak de Kolck, 26 maart 2013
SdK 5 Sjaak’s moeizame start, 20 december 2013
SdK 6 Sjaak’s prille les, 18 april 2014
SdK 7 Sjaak’s Kracht, 16 december 2014
SdK 8 De Verleiding, 25 maart 2015

Ruud Macco
21 december 2015

Het Kerstdiner


Don racet de straat in op weg naar huis. Daar remt hij zo hard, dat de fiets onder hem vandaan glijdt en rechtop tegen de muur kwakt. Net op tijd springt hij er af. Zonder zich om de fiets te bekommeren snelt hij naar de voordeur. Hij prutst de sleutel in het slot en gooit de deur open.

‘Ik ben thuihuis,’ roept hij al vanaf de drempel.

‘Dat merk ik,’ zegt Maja die in alle haast de hal in komt.

Sjaak komt er achteraan gerend. ‘Papaaa,’ roept hij en klemt zich aan Don’s broekspijpen vast. Met zijn hakken geeft Don de voordeur een zet. De tocht brengt er direct de vaart in, die abrupt eindigt in een luide knal, waar de buren een hartverzakking van gekregen moeten hebben.

‘Nou nou, kan het niet wat minder heftig? Wat heb je?’

Don pakt Sjaak op, geeft Maja een zoen en duwt haar naar de woonkamer. ‘Ik heb een besluit genomen. Wat Paul met Clofunc kan, kan ik ook.’

Don’s enthousiasme treft Maja als een mokerslag. De plotselinge schaduw op haar gezicht onthullen angstige vermoedens en somberheid. ‘Waarom?’

‘Ik heb een goed plan. Luister.’

‘Maar, je hebt toch een goede baan bij Clofunc?’

‘Wacht even Maja. Luister eerst naar mijn plan.’

‘Kijk,’ zegt Don. Hij legt een paar papieren op tafel. ‘Als we het slim aanpakken, dan verdienen we een keer zoveel als nu bij Clofunc. Ik heb het allemaal uitgerekend. Kijk.’

Don wijst naar de getallen en praat aan een stuk door over inkoopwaarde, opslag en transportkosten en verkoopkosten. Tenslotte komt hij bij de enorme markt, waarin hij zijn producten wil verkopen.

‘Zie je: hier staan alle kosten, daar de opbrengsten. En dat is de marge. Voor alle duidelijkheid heb ik er mijn huidige salaris naast gezet. Zelfs als ik maar de helft verkoop zitten we goed.’

‘Maar de risico’s dan?’ werpt Maja tegen.

‘Risico’s? Die zijn er niet.’

‘Ik zou niet graag nog een keer failliet gaan.’

‘Nee, ik ook niet. Ik zou er heus niet aan beginnen als ik er niet 200% zeker van was. Vakmensen willen kwaliteit. Ruw werk vraagt soepele kleding, die stevig is en bescherming biedt. Belangrijker dan mode is dat kleding je niet hindert bij het werk. Maar wie weet, gaat stoere mode het ook bij modegevoelige mensen wel goed doen.’

‘En waar wil je die soepele en stevige kleding vandaan halen?’

‘Tijdens mijn reis voor Clofunc vertelde een fabrikant over een nieuwe vezel, vormvast en sterker dan staal. Kijk.’ Don duikt naar zijn tas en trekt er een pakje uit. ‘Hij heeft me dit shirt gestuurd.’ Don pakt het shirt uit het papier en houdt het voor Maja omhoog.

Maja bekijkt en bevoelt het shirt onder het toeziend oog van Don.

‘Mooie stof hè? En kijk eens hoe glad het uit het pak komt.’

‘Het ziet er inderdaad mooi uit,’ geeft Maja toe.

‘Dat dacht ik ook. Hier trek maar eens aan, ik had hem jouw maat opgegeven.’

Gehuld in het nieuwe shirt loopt Maja naar een spiegel. Kritisch draait ze daar heen en weer. ‘Ik moet toegeven, dat het lekker zit en mooi afkleedt.’

Don pakt de stof van het shirt en trekt, wringt en kreukelt die.

‘Ho ho, niet zo ruw,’ protesteert Maja. Lachend laat ze zich aan haar shirt naar hem toetrekken.

Sjaak vindt het wel een leuk spelletje. In navolging van Don trekt zo hard hij kan aan het shirt. Met zijn volle gewicht hangt hij er aan.

Een hartstochtelijke zoen later bekijkt Don haar weer op een afstandje. ‘Kijk, het shirt blijft mooi. Die Chinees vroeg me zijn hoofdvertegenwoordiger n Europa te worden,’ zegt Don in een ademtocht.

‘Kan Clofunc dat niet?’

‘Misschien wel. Ik heb het Paul niet gevraagd.’

‘Waarom niet?’

‘Ik weet niet wat hij heeft, maar hij is veranderd. Sinds ik terug kwam van mijn reis heeft hij nauwelijks tijd voor me gemaakt.’

‘Oh?’ zegt Maja. In gedachten tilt ze Sjaak op en bekijkt zijn vingers met de littekens, die haar het hele verhaal vertellen.

Sjaak ontworstelt zich aan haar handen, slaat zijn armpjes om haar nek en geeft haar een dikke knuffel. ‘Ik had bloed, hè mama.’

‘Ja kerel. Dat was niet leuk.’

‘Weet je,’ zegt Don. ‘Het is me nog steeds een raadsel, waarom hij die foto van de muur wilde halen.’

‘Je zit niet lekker in je vel bij Clofunc, hè?’ zegt Maja tegen Don.

‘Nee, niet echt.’

‘Dan probeer je het toch om weer voor jezelf te beginnen,’ zegt Maja na een korte pauze.

Don geeft haar een zoen. ‘Dank je wel lieverd,’ fluistert hij in haar oor.

Gedreven door zijn droom en op de vlucht voor de sfeer bij Clofunc werkt Don dag en nacht aan de kledinglijn voor zijn bedrijf in oprichting, dat onder de naam Kolck’s Shielding Clothes, kortweg KSC, de markt moet gaan bestormen met vier productlijnen: Shi&Shelter onder de merknaam Shi&Sh, Shield and Work onder de merknaam Shi&Wo, Shield and Go onder de merknaam Shi&Go en Shield and Parade onder de merknaam Shi&Pa. Samen moeten ze de markt bestrijken voor simpele lichaamsbedekking, werkkleding, functionele kleding en gelegenheidskleding.

Zijn verhalen over nieuwe revolutionaire kledinglijnen creëren bij zijn oude contacten op voorhand al veel vraag. Hier en daar laat hij een monster achter, niet alleen om de kwaliteit te laten keuren, maar ook om de zwakke plekken in het product te kunnen vinden en te verhelpen voordat KSC het levenslicht ziet.

Intussen klinkt er gemopper door van klanten van Clofunc. Het assortiment blijft achter bij de vraag en de prijs vindt men niet in verhouding tot de kwaliteit. Als Paul begint zijn werknemers naar de letter van hun contract te controleren wordt duidelijk dat Clofunc er slecht voor staat. De sfeer wordt zo grimmig dat Don overweegt zijn ontslag in te dienen nog voordat de voorbereidingen voor zijn eigen bedrijf zijn afgerond. Zijn financiën laten hem echter weten dat dat geen optie is. Toch komt het einde van zijn loopbaan bij Clofunc nog onverwacht. Als Paul hem bij zich roept, weet Don al genoeg. Het euforische gevoel over de bevrijding uit de knellende banden van Clofunc, de spanning voor de oprichting van KSC BV en de nieuwsgierigheid naar de reactie van de markt overstemmen de pijn van het verlies van zijn salaris.

Gedwongen door de omstandigheden activeert Don KSC en lanceert hij de oprichtingscampagne. De pers bejubelt Don unaniem als een visionair, die weet dat als mensen zich kleden wat hen daartoe beweegt en die beweegredenen overzichtelijk heeft gerangschikt in de vier hoogwaardige productlijnen met ieder een keur aan stijlen. Die stroom van goede recensies worden gevolgd door grote orders die hem voorzien van meer dan de verwachte inkomsten.

Zijn bedrijf groeit zo hard, dat Don ijlings op zoek moet naar medewerkers. Om wervingskosten te besparen, schrijft hij een algemene oproep aan zijn relaties op de social media.

Knarsetandend ziet Paul de wervende tekst van Don. Waarom heeft uitgerekend hij dat succes? En hij had al zoveel! Het beeld van Maja’s naakte lichaam dringt zich weer aan hem op. Die ene keer bij haar in bed. Daarna… een krijsend kind, bloed, een vlucht en toen… niets meer dan een gekmakende jaloezie. Door zijn ogen stijf dicht te knijpen probeert hij die herinneringen weer terug te sturen naar de duistere hoeken van zijn brein. Lichtflitsen scheuren die herinnering aan flarden net zolang tot zijn oogbollen er zeer van doen. Als ik zo’n vrouw had gehad dan… dan… was alles vast beter gegaan. Paul sluit zijn account af. Gedachtenflarden drijven als mistbanken door zijn hoofd. Eruit, hij moet naar buiten. Zonder jas stormt hij door de gang naar de voordeur. In zijn greep naar de deurklink schopt hij tegen een stapel post op de mat. Een blauwe enveloppe schiet ertussenuit en staart hem van bovenop de stapel brutaal aan. Oh nee, komen die ook nog eens. Dan rent hij over de stapel heen naar buiten, slaat de deur met een knal achter hem dicht en zet het op een lopen. Als zijn longen dreigen te barsten zakt hij neer op een muurtje. Zijn hoofd hangt tussen zijn schouders. De uitputting heeft zijn hoofd gevuld met de oerdrift om te overleven. Zijn buik en borstspieren zwoegen om in zijn behoefte aan lucht te kunnen voorzien. Zweetdruppels lopen langs zijn rug naar beneden.

‘Gaat het, meneer?’

Iemand met een bekende stem legt een hand op zijn schouder. Met een schok tilt hij zijn hoofd op. Zijn ogen schieten langs marktkramen en rijen mensen tot ze de eigenaar van de stem in het vizier hebben. Bewegingloos staart hij naar zijn vroegere werknemer,

‘Paul? Jij?’ zegt Don, die dan pas zijn oude werkgever herkent. ‘Wat is er met jou aan de hand?’

Met een kreun slaat Paul zijn handen voor zijn ogen in een poging zijn tranen te bedwingen.

‘Man, het is steenkoud. Waarom heb je geen jas aan? Kom mee naar binnen.’ Don steekt zijn arm onder Paul’s oksel en troont hem mee naar een café. ‘Een kop soep zal je goed doen.’

Heftig nee-schuddend probeert Paul tevergeefs aan Don’s greep te ontsnappen.

‘Hoe kom jij hier?’ brengt hij uit. ‘Met mij gaat alles prima,’

‘Ja, dat zie ik. Net zo prima als met mij eerder. Kom mee. Ik trakteer, jij vertelt.’

Paul omklemt de hete soepkom met twee handen.

‘Kijk je uit,’ maant Don hem. ‘Je voelt het nu niet, maar straks staan de blaren op je vingers.’

Paul zet zijn kom weer neer. ‘Ik ben failliet,’ zegt hij met zijn handen boven de kom.

Don slikt een keer en kijkt neer op Paul’s weelderige haardos, die boven diens soepkom hangt.

‘Clofunc failliet?’ echoot Don. ‘Dat het niet goed ging wist ik wel, maar failliet? Jeee kerel.’

‘Ja, failliet en ik ook. Geen rooie cent en een stapel rekeningen op de mat,’ sombert Paul. En dan ineens fel: ‘Die idioten van de belasting weten alles toch? Ze geven me het liefst nog een trap na.’

‘Heb je je huis nog?’

‘Ja, maar niet lang meer, vrees ik.’

‘En dan?’
Paul haalt slechts zijn schouders op en kijkt Don met roodomrande ogen aan.

’Dat gevoel ken ik, Paul. Toen was jij mijn reddende engel. KSC kan vast nog wel iemand als jij gebruiken,’ zegt Don.

‘Dat kan ik niet aannemen,’ Don.

‘Waarom niet?’

‘Dat verdien ik niet.’

‘Hoezo? Iedereen verdient een nieuwe kans.’

‘Wat mij betreft kun je direct in het nieuwe jaar beginnen.’
Paul eet een paar lepels soep en kijkt dan naar Don. ‘Dank je, graag. Maar…’

‘Geen gemaar, dat is dan afgesproken. Wat doe je met de Kerst?’

‘Hoi Maja, ik ben thuihuis,’ roept Don terwijl hij de deur achter zich dichtslaat.

Vanuit de keuken roept Maja een groet terug. Don legt de cadeaus voor Maja en Sjaak onder de kerstboom. Dan loopt hij naar Sjaak, die in zijn hoekje met lego bezig is.

‘Wat maak je daar voor een moois, Sjaak?’

‘Een heeeele grote hijskraan,’ zegt Sjaak met een hoogrode kleur.

‘Wat mooi, Sjaak. Jij bent echt een Bob de Bouwer.’

‘Hij wordt nog veeeel hoger,’ zegt Sjaak. ‘Helemaal tot aan het plafond.’

‘Dat is wel heel erg hoog, hoor. Als je maar nergens meer op klimt.’

Als Sjaak geen antwoord meer geeft, gaat Don naar Maja in de keuken en geeft haar een knuffel. ‘We krijgen een gast aan tafel.’

‘Wanneer? Vanavond? Daar heb ik niet op gerekend.’

Don lacht om die ongeruste blik in haar grote donkere ogen. ‘Nee hoor, morgen.’

‘Eerste kerstdag? Wie?’

‘Raadt eens. Je kent hem goed.’

‘Ik zou het niet weten,’ zegt ze en gaat onverstoorbaar verder met de voorbereidingen voor het avondeten.

‘Paul. Je weet wel, van Clofunc.’

Het mes glijdt uit Maja’s handen en klettert via de aanrecht op de grond. ‘Paul? Waarom?’ vraagt ze, terwijl ze haastig naar het mes duikt. ‘Hij was anders ook niet zo aardig tegen jou de laatste tijd.’

‘Hij is failliet! Ik kwam hem tegen op de markt. Hij zat zonder jas helemaal in elkaar gedoken op een muurtje. Pas toen ik hem vroeg of alles goed met hem ging, zag ik dat het Paul was.’

‘Oh?’ Maja spoelt het mes af en snijdt met een ferme haal een paprika in tweeën.

‘Wat is er?’

‘Niks. Maar het leek me gewoon leuker om met ons drietjes te zijn.’

‘Ja, Maar ik had zo met hem te doen. En tenslotte heeft hij ons ook geholpen toen het tegenzat.’

Sjaak, die ongemerkt was komen aanlopen, schurkt zich tegen Maja’s benen aan. ‘Mama, wat is er?’ Bezorgt kijkt hij omhoog naar zijn moeder en reikt met zijn beide handjes omhoog.

Don pakt het mes uit Maja’s handen en legt het op een veilige plaats. Maja blijft met een gebogen hoofd staan kijken naar de twee helften paprika op de snijplank. Langzaam maar zeker draait Don haar om en slaat zijn armen om haar heen.

‘Ik moet even zitten,’ zegt ze.

Don begeleidt haar naar de bank en gaat naast haar zitten. Sjaak dreutelt achter hen aan. Met zijn grote ogen kijkt hij van zijn vader naar zijn moeder en weer terug.

‘Ik weet niet of ik dit aan kan, Don.’ zegt Maja.

‘Wat kun je niet aan, schat?’

‘Ik heb een vreselijke fout gemaakt.’

Tijdens het verhaal van Maja trekt Don wit weg. Tegen het einde zitten ze beiden naast elkaar naar de grond te staren. Sjaak kijkt verschrikt van de een naar de ander en probeert tussen hen in te klimmen.

‘En toen gooide Sjaak onze trouwfoto van de muur,’ besloot Maja.

‘En wat deed Paul toen?’

‘Hij vertrok en liet mij zitten met Sjaak.’

‘Nu even niet Sjaak,’ zegt Don. ‘Ga maar even boven spelen.’

Sjaak kijkt zijn slaapkamer rond. Het levert geen inspiratie op om te spelen. Met een angstig voorgevoel gaat hij op bed liggen. De stem van zijn vader klinkt hard door. Dan komen zijn tranen. Denkend aan die middag met Paul huilt hij zich in slaap en droomt.

De steeg staat vol met vuilnisbakken. Zo hier en daar vindt hij iets van zijn gading en stopt dat in een van zijn plastic tassen of eet het direct op. De kou snijdt hem door de kieren van zijn kleren. Eenmaal buiten de steeg neemt een ijzige wind zijn laatste warmte weg en dwingt hem een schuilplaats te zoeken. Ondanks de tassen in zijn beide handen weet hij met een vinger aan de deuren van auto’s te trekken. Er is er niet één die meegeeft. Wel begint er opeens een alarm te loeien.

Verstijft blijft Sjaak staan. Of het van schrik of van de kou is, is niet duidelijk. Maar de wereld om hem heen vervaagt. Luide stemmen verpakken hun boodschap in ijs. Toch vervliegen ze voor Sjaak in de wind.

Als de warmte vanuit zijn borst de kou uit zijn hoofd verdreven heeft slaat hij zijn ogen op. ‘Waar ben ik?’ Sjaak wil overeind komen. Gelijk komt er iemand aangesneld, die hem naar een stoel helpt.

Er staat een bord voor zijn neus. Het bestek aan weerszijden maakt geen geheim van het verwachte aantal gangen. Kristal flonkert en weerkaatst het levende licht van kaarsen. Het kind tegenover hem staart hem aan. Als hij het jongetje aankijkt, siert een warme glimlach diens gezicht. ‘Ik?’ mompelt Sjaak. Naast het jongetje zit een vrouw, waarin Sjaak zijn moeder herkent.
Er komt iemand binnen met een dampende soepterrine in haar handen. Ze bukt tussen het jongetje en zijn moeder in om de soep op tafel te zetten.

‘Dag Sjaak,’ zegt ze. ‘Ken je me nog?’

‘Cindy!’

‘Kijk naast je,’ zegt Cindy en ze wijst naar de man naast hem aan tafel.
Sjaak draait zijn hoofd opzij. De man naast hem lijkt sprekend op zijn vader.

‘Welkom aan tafel,’ zegt zijn vader. ‘Het is hier vast beter dan te schuilen in zo’n koude auto.’

Sjaak knikt en stamelt: ‘Jjja…. dank u wel.’

‘En kijk daar,’ zegt Cindy.

Alsof het kaarslicht ernaar toe getrokken wordt, zo helder verlicht is de foto aan de muur. In het bruidspaar daarop herkent Sjaak zijn ouders.

‘Help hen herinneren, Sjaak.’

De feestelijke dis maakt plaats voor de duisternis van de nacht. Dat iemand hem heeft toegestopt realiseert Sjaak zich niet, maar het voelt behaaglijk warm onder zijn dekbed. Toch glipt hij in het donker naar beneden. Op de tast daalt hij de trap af en loopt naar de kamer. Als hij de deur zachtjes achter zich heeft dichtgedaan, durft hij pas het licht aan te knippen.

Dan pakt hij resoluut het keukentrapje. Zo kan hij net bij de foto met de mooie nieuwe lijst, die zijn vader eromheen heeft gemaakt. De foto krijgt een plaatsje midden op de eettafel. Sjaak pakt zijn tekenspullen en gaat aan tafel zitten. Met de nodige inspanning tekent hij een tafel met vier mensen er omheen. Een schilderijtje krijgt een prominente plaats aan de muur achter de eettafel. Als Sjaak tevreden is, krijgt de tekening een plaatsje voor de foto op tafel. Tenslotte knipt hij twee bloemen uit de bos in een vaas op de kast en legt die op zijn tekening.

Het resultaat ontlokt Sjaak een tevreden knikje voordat hij weer naar boven sluipt en zich behaaglijk weer onder zijn dekbed nestelt.

Op kerstochtend wordt Don wakker met een zwaar gevoel in zijn hoofd. Maja ligt met haar rug naar hem toe. Het gesprek van kerstavond dreunt nog na onder zijn schedel. Hij staat op en stommelt naar de badkamer. De paracetamolletjes vinden blindelings hun weg naar binnen. Dan gaat hij naar beneden.

Met een lege blik loopt hij naar de keuken. De foto van het gelukkigste moment in zijn leven, die hem vanaf de keukentafel aanstaart verandert alles op slag. ‘Maja, meisje, wat heb je gedaan?’ zegt hij, terwijl hij de foto oppakt en hem tegen zijn hart drukt. Tranen rollen. Dan kraakt de trap.
Goedemorgen klinkt het krakerig. Maja komt achter hem staan en slaat haar armen om hem heen. ‘Don, vergeten kunnen we het niet. Net zo min als jouw reis naar Litouwen. Ik vraag je ….’

‘Ssttt’ zegt Don. ‘Kijk dit eens.’

‘Heb jij..?’ Maja gaat met haar vinger over de natte plekken op Sjaak’s tekening. ‘Sjaak..’ zegt ze.

‘Maja, we hebben een bijzonder kind.’ Hij drukt haar tegen zich aan en geeft haar een stevige zoen.

‘Don, kun je me..’

‘Sssttt. Niet meer over praten. Kom mee.’

Gewillig laat Maja zich meetronen.

Het is al laat in de ochtend als ze aan de ontbijttafel zitten. Sjaak praat honderduit over al zijn plannen voor Maja en voor Don als hij later groot is.
Dan gaat de telefoon. Don neemt op, noemt zijn naam en luistert even in stilte. ‘Paul, ik geloof er niets van. Kom nou maar gewoon. Nee, we vinden het niet vervelend. Nee Maja ook niet. Wil je haar zelf aan de telefoon? Ja ik weet, dat zij een prachtvrouw is, Paul. Tot straks.’

Met een zucht legt Don de telefoon op de haak. ‘Dat was Paul.’

‘Ja,’ zegt Maja. ‘Hoe laat komt hij?’

‘Voor de borrel, om een uur of vijf.’

‘Oh.’

‘Moeten we voor hem ook nog wat onder de kerstboom leggen?’

‘Misschien, maar wat?’

‘Ik kijk wel even,’ zegt Don.

Maja en Don zingen de klassieke kerstliedjes. Sjaak kijkt gespannen naar de mimiek van zijn ouders en probeert de wijs te pakken te krijgen. Het vuur in de open haard knettert. Het kristal op tafel weerspiegelt de vlammen in de haard. Onder de kerstboom liggen pakjes te wachten op het geluk van de gever en de ontvanger. Dan gaat de bel.

‘Daar heb je Paul,’ denk ik.

Met Sjaak aan de hand gaat Don naar de deur.

‘Zalig Kerstfeest, Paul. Kom binnen.’

‘Zoek een plekje Paul. De bank is bezet, maar verder is de keus aan jou,’ zegt Don.

‘Dag Paul, een Zalig Kerstfeest.’ Maja steekt haar hand uit, maar bedenkt zich als Paul die wil schudden. Ze pakt hem bij de bovenarmen en keert haar wangen naar hem toe.

Een vluchtige kus, twee paar neergeslagen ogen en een paar warme gezichten zijn de resultaten. Don bekijkt het tafereel met gemengde gevoelens. Boosheid en begrip vechten om voorrang.
‘Je houdt van haar, hè?’ Die woorden uit de mond van zijn Litouwse gastvrouw Elze leiden zijn gedachten en manen hem zich te beheersen.

‘Je hebt een fijne man, Maja.’ die woorden van Paul tegen Maja voeden het gevoel dat hij in de armen van Elze koesterde.

‘Laten we daar een mooie port op drinken,’ zegt Don. ’40 jaar oud. Heerlijk zacht, kan ik je verzekeren.’

Als de glazen hebben geklonken en het donkerrode vocht de kelen mild heeft gestemd, zegt Maja: ‘Sjaak, pak maar een cadeautje.’

Het eerste pakje is voor Sjaak zelf. Het duurt even voordat hij het papier eraf heeft. Dan laat hij trots zijn nieuwe aanwinst van Duplo zien. Don helpt hem de doos open te maken. Sjaak trekt die bijna uit zijn handen, stort de inhoud direct voor zijn voeten op de grond en begint gelijk te bouwen.
Het tweede pakje is voor Don. Verbaasd kijkt hij naar de sleutel in zijn handen.

‘Ik ben benieuwd waar die van is.’

‘Van goud,’ zegt Maja.

‘Je meent het.’

Het derde pakje is voor Maja. Met een mysterieuze glimlach trekt ze het papier er af en houdt een mooi bewerkte lijst in haar handen. Twee halve paneeltjes onttrekken de inhoud ervan aan het oog. Maja wijst op het sleutelgat.

‘Misschien past jouw sleutel hier wel in, Don. Probeer het maar eens.’

‘Als jij dat zo zegt past hij vast,’ zegt Don.

Hij steekt de sleutel in het gat en draait. Het slot klikt open en de deurtjes zwaaien naar buiten. Het drieluikje erachter beneemt Don de adem. Fijn schilderwerk toont een portret van Maja en Don op de beide buitenste paneeltjes. Op het middenpaneel zit Sjaak in het gras van een park te spelen met een ander kindje.

‘Wie is dat?’ vraagt Don.

‘Ja dat weten we nog niet,’ zegt Maja.

‘Ben je weer…?’ vraagt Don.

Maja haalt haar schouders op en pakt nog een cadeautje. ‘Voor jou, Paul.’
Zijn handen beven als Paul de enveloppe aanpakt. ‘Ik heb geen.., ik bedoel ik wist niet, dat..’

‘Maak nou maar open,’ zegt Don.

Langzaam trekt Paul het kaartje uit de enveloppe en begint te lezen.

‘Lees voor,’ zegt Maja.

‘Bedankt, Don.’ zegt Paul. Hij pakt een zakdoek uit zijn zak, legt de kaart op tafel en snuit luidruchtig zijn neus. Daarna omhelst hij Don: ‘Je weet het. En toch … dit…’

Maja pakt de kaart en leest:

‘Paul, Kerst is een feest van licht. Laat dat de nare herinneringen verdrijven en de goede een warme plek bezorgen. Hoe dan ook heb je me geholpen toen onze nood hoog was. Geloof me, ik weet daarom wat je nu doormaakt. Het voelt vertrouwd en toch mag niemand er aan wennen. Daarom vraag ik je: Ben je bereid het team van KSC te komen versterken?’

‘Jaja. Nou kan die wel weer ja,’ zegt Don. ‘Als je belooft je netjes te gedragen, zal ik je niet direct op reis sturen.’

Paul knikt en weet zich amper een houding te geven. ‘Dat beloof ik,’ zegt hij en heft zijn glas.

‘Laten we aan tafel gaan, anders wordt het veel te laat voor Sjaak.’

‘Ik ben niet moe,’ klinkt het tussen zijn blokken vandaan.

Na het voorgerecht brengt Maja Sjaak naar bed. Ondanks zijn tegenzin om te gaan slapen, vallen zijn ogen dicht,zodra hij onder zijn dekbed ligt. Maja leest nog een verhaaltje. Maar dat heeft Sjaak al niet meer bereikt.

Sjaak ziet een oud gezicht. Henk-Jan Veelenturf kijkt hem vanachter zijn grote donkere bureau aan. Er komen geen woorden. Deze keer niet. Toch bezorgt dat gezicht hem een naar gevoel. Gebiologeerd door de man, die hem zijn Meike heeft afgenomen, is Sjaak niet in staat zijn blik af te wenden. Langzaam verzachten de trekken in het gezicht. De verandering zet door totdat het Paul is die hem aankijkt.

‘Het spijt me Sjaak. Kan ik het ooit weer goedmaken?’

De hoek van het kantoor achter Paul wordt helder verlicht. Een gedaante maakt zich los uit de intense gloed.

‘Erik?’ stamelt Sjaak.

‘Ja Sjaak. Ik ben het. Ik wil je het verschil laten zien tussen een man, die zijn verantwoordelijkheid tegenover zijn naasten niet neemt en een, die dat wel doet. Iedereen kan een fout maken, maar het vermogen om de schade te herstellen is niet iedereen gegeven. Kijk.’

Erik zwaait zijn linkerarm naar de deur. Die zwaait open en er komen twee mensen binnen die helemaal in elkaar opgaan.

‘Papa, mama!’ murmelt Sjaak.

‘Ja, Sjaak. Je hebt opnieuw veel van het goede in je laten zien, maar nog lang niet alles.’

Dan dooft het licht.

Als Maja later die avond nog even bij Sjaak komt kijken, ligt hij met een tevreden trek op zijn gezicht rustig te slapen.