meike - een verhaal door Ruud Macco

Meike

Download dit verhaal:

File Description
pdf SdK 11 Meike
epub SdK 11 Meike

Voorwoord


Kinderen zijn zo bijzonder, zo puur. Ongehinderd vloeit de bagage uit hun levenskracht over in hun dagelijkse handelen. Naarmate de tijd vordert zullen zij vooral gaan acteren naar de lessen die zij uit allerlei ervaringen leren. Maar soms sijpelt er nog een waarschuwend woord door tot het nieuwe bewustzijn.

Kerstmis is het feest van het nieuwe leven. De donkerste dagen zijn achter de rug en het verlangen naar het licht steekt de kop weer op. Nog onwetend van hetgeen we zullen gaan meemaken, hopen we allemaal op een stralende toekomst waarin het licht de donkerste gedachten verdrijft.

In deze aflevering van Sjaak de Kolck gaan Sjaak en zijn ouders door deze achtbaan van verdiet, hoop en nieuw geluk.

In de serie over Sjaak de Kolck verschenen eerder de volgende episodes:
SdK 1 In Goede handen, 13 december 2011
SdK 2 Sjaak’s Nieuwe kans, 3 april 2012
SdK 3 Een nieuw leven, 24 december 2012
SdK 4 Sjaak de Kolck, 26 maart 2013
SdK 5 Sjaak’s moeizame start, 20 december 2013
SdK 6 Sjaak’s prille les, 18 april 2014
SdK 7 Sjaak’s kracht, 16 december 2014
SdK 8 De Verleiding, 25 maart 2015
SdK 9 Het Kerstdiner, 21 december 2015
SdK 10 Bij de les blijven, 21 maart 2016

Ruud Macco
25 december 2016

Meike


In een donkere hoek van een verlaten boerenschuur veegt Sjaak alle stroresten op een hoop. Daarop gaat hij liggen wachten op de slaap die nog ver weg is. In zijn hoofd buitelen de belevenissen in wat wel zijn hele leven lijkt te zijn geweest door elkaar. Van zijn eenzaamheid op die witte kamer in het ziekenhuis tot die in de duisternis van deze schuur.


Het armzalige beetje stro biedt nauwelijks bescherming tegen de harde grond. Het liggen doet hem zeer aan zijn heupen en schouders. Met zijn knieën zo ver mogelijk opgetrokken en zijn armen gekruist voor zijn borst probeert hij de kou te verdrijven. Sjaak is moe en wil gewoon gaan slapen. Maar steeds als zijn ogen dicht vallen, denkt hij weer aan die tijd in het ziekenhuis.

Sjaak zag zichzelf weer helemaal alleen in dat grote witte bed. Hij had een ongeluk gehad, zeiden ze. Er waren daar alleen mensen in witte jassen. Die zeiden dat ze hem beter wilden maken. Ze deden hem pijn. Steeds weer opnieuw kwamen ze hem halen. Als hij later wakker werd lag hij weer in dat bed. Vaak moest hij spugen en deed zijn hoofd zo vreselijk pijn.

Sjaak slikt een keer als hij daaraan terugdenkt. Hij draait zich om en probeert aan aan iets leukers te denken. Maar er schiet hem alleen maar te binnen, dat hij daar maar lag en zijn benen niet kon bewegen. Er zat zoveel wit verband omheen. Het voelde zo zwaar.

Eindelijk voelt hij in die duistere schuur een glimlach komen als hij terugdenkt aan die keren dat papa en mama er waren. Het verdriet overvalt hem weer als de gedachten terugkeren aan papa en mama die hem vrolijk zwaaiend daar iedere keer weer in eenzaamheid achterlieten.

Blij was hij. Oh wat was hij blij toen hij voor het eerst weer mocht lopen. Blij om mijn bed uit te mogen. De liefste zuster haalde hem uit bed. Met haar armen om hem heen liepen ze door de kamer. Samen. Hij voorop en zij achter hem. Wat ging het lopen moeilijk. Als hij weer in bed lag, zei ze dat ze iedere dag terug zou komen om te oefenen. Die pijn. hoe vaak had hij niet gehuild? Maar hij wilde zo graag weer kunnen lopen. Hij wilde papa en mama laten zien dat hij weer kon lopen.

Een zacht gejank haalt Sjaak uit zijn gedachten. Er strijkt iemand over zijn gezicht. Het voelt warm en koud tegelijk. Sjaak voelt aan zijn wang. Die voelt nat aan. In het donker voelt hij de adem van iemand in zijn gezicht. ‘Papa?’ vraagt hij voorzichtig. Als antwoord voelt hij een nieuwe lik en een zacht janken. De paniek die hem overvalt wordt gesmoord door twee lichtende ogen die hem vriendelijk aankijken en een poot op zijn hand. Sjaak blijft stil liggen. Het dier komt voorzichtig tegen hem aan liggen. Het verdrijft de kou uit zijn benen. Het duurt even, maar dan slaat Sjaak een arm om de harige nek van het dier. En zo valt hij in slaap.

Als het ook voor hen bedtijd is, gaat Don nog even kijken bij Sjaak. De stilte in zijn slaapkamer voelt niet goed aan. Don stapt zachtjes naar binnen en ziet tot zijn schrik dat Sjaak’s bed leeg is. ‘Sjaak?’ zegt hij eerst zachtjes. Maar dan harder roept hij ‘Sjaak? Waar ben je?’

Sjaak geeft geen antwoord en Meike begint te huilen. Don haast zich naar Maja, die al in bed ligt. ‘Sjaak ligt niet in zijn bed!’ zegt Don.

Maja is ineens klaar wakker. Ze zwaait haar benen onder het dekbed vandaan en kijkt Don verbouwereerd aan. Intussen vraagt Meike luidkeels om aandacht. Maja sloft snel naar Meike om haar te troosten.

‘Wat bezielt hem,’ briest Don. ‘Eerst slaat hij Meike en nu dit weer.’

‘Jaloezie? Te weinig aandacht?’ oppert Maja. Vertedert ziet ze hoe Meike haar tepel zoekt.

‘Misschien is hij nog niet ver weg. Ik ga kijken.’ Gehuld in een dikke jas en met zijn voeten in een paar dikke laarzen trekt Don de voordeur achter zich dicht.

Het is nog steeds donker als Sjaak wakker wordt. Een snelle ademhaling achter hem herinnert hem aan het dier, dat hem gezelschap houdt. Sjaak draait zich om. Een warme tong glijdt over zijn gezicht. ‘Dag hond,’ zegt Sjaak. Hij legt zijn arm om de hals van het dier. Warm en zacht. Het liggen op de harde grond is pijnlijk en zijn spieren voelen stijf aan. Het doet hem denken aan het witte ziekenhuisbed waarin hij eerder dit jaar steeds wakker was geworden. Het voelt alsof warmte en pijn bij elkaar horen.

Maar als papa en mama hem knuffelden was de pijn weg. Maar als ze weg waren, was de pijn er weer.

Sjaak’s hand vind zijn knuffel en drukt die onder zijn hoofd.

Een uur later komt Don traag en met hangend hoofd terug. Meike slaapt weer en Maja wacht op de bank op Don en Sjaak. Maar Don komt alleen binnen.

‘Niet gevonden?’ vraagt Maja.

Don schudt zijn hoofd. ‘We moeten de politie maar bellen.’

Er verstrijkt weer een uur met allerlei formaliteiten eer er een opsporingsbericht is uitgegaan en politiemensen daadwerkelijk zijn gaan zoeken. Met het dwingende advies om het zoeken toch vooral aan ervaren mensen over te laten, zitten Don en Maja even later naast elkaar op de bank.

‘Weet je nog toen Sjaak weer bij kennis kwam na dat ongeluk?’

‘Wat waren we blij,’ zegt Maja. ‘Toch was ik bang dat je boos was’.

‘Ik was niet boos,’ zegt Don. ‘Ik probeerde sterk te zijn voor jou en Sjaak.’

’Ik vond het zo lief van je toen je dat zei.’

‘Het was wel moeilijk,’ zegt Don met vochtige ogen. ’Net als nu.’

‘We konden pas slapen toen we zeker wisten dat het goed was met Sjaak,’ zegt Maja.

Een drukkende stilte scheidt hun gedachten.

‘We zijn in elkaars armen in slaap gevallen,’ zegt Don eindelijk.

‘Ik voelde me een slechte moeder,’ voert Maja aan. ‘Ik had verdriet om Sjaak en kon niet blij zijn om de komst van Meike’.

‘Nee en omgekeerd ook niet, zei je toen ook nog,’ herinnert Don zich.

‘Nee, ik had het gevoel dat het ongeluk van Sjaak me niet genoeg bezighield. Meike was toen zo druk in mij.’

‘Je voelde je blijkbaar een slechte moeder,’ zegt Don. ‘En nu?’

‘Weer,’ zegt Maja. De traan op haar wangen spiegelt haar innerlijke strijd.

Don had haar toen getroost door te zeggen dat hij haar juist een goede moeder vond om dat dubbele gevoel. ‘Jij bent in staat blij te zijn om het ene kind en bezorgd om het andere,’ had hij haar toen toegefluisterd. Maar is die traan er nu om de verdwijning van Sjaak of om haar gevoel van eigenwaarde? Voorzichtig haalt hij zijn arm achter Maja vandaan en steunt zijn hoofd op beide armen die nu op zijn knieën rusten. Dan staat hij op. ‘Ga maar naar bed,’ zegt hij. ‘Ik ga helpen zoeken.’

In het duister van de schuur denkt Sjaak terug aan de eerste keer, dat hij Meike voelde in de buik van zijn moeder. Zijn ouders zeiden hem af te wachten of het een broertje of zusje zou worden, maar hij wist zeker dat het een zusje zou zijn. Maar oh wat duurde het lang tot ze kwam.

’s Morgens was zijn moeder ziek en had nog in bed gelegen toen hij naar de juffies moest. Hij wilde bij mama blijven maar dat mocht niet. Papa zei nog hem te komen ophalen als de baby er was. Waarom kon hij dan niet gelijk mee naar huis? In plaats daarvan moest hij bij de juffies blijven. Stomme school. Uit pure verveling wist de slaap hem toen te overmannen. In zijn droom had Meike hem geroepen en hij had haar naam geroepen. Toen werd hij wakker. Een van de juffies had hem wat raar aangekeken. Op zijn vraag naar Meike had ze slechts gezegd, dat hij had gedroomd. Maar zijn vader zou hem toch komen halen? Het gevoel vergeten te zijn had hem zo bang gemaakt dat de tranen over zijn wangen hadden gelopen. Eindelijk kwam zijn vader hem halen. Tegen de juffies zei papa dat Sjaak’s zusje Meike was geboren. Stomme juffies. Die wisten niet eens dat Meike zijn zusje was.

Als hij had geweten dat papa en mama alleen nog maar met Meike wilden knuffelen … .

Maja blijft alleen met haar gedachten op de bank. De gedachte aan Sjaak met zijn pas geboren zusje op schoot verwarmt haar van binnen. Dan realiseert ze zich hoe koud het kan zijn zonder Sjaak. Haar Sjaak was zo’n trotse broer voor zijn zusje. Alleen haar gekrijs liet hem de handen aan zijn oren drukken. Dan probeerde hij haar te overstemmen door keihard ‘hou op’ tegen haar te schreeuwen. Toen Meike’s stem harder werd, liep Sjaak altijd de kamer uit als Meike weer eens aan het gillen was. Ze moest hem wel laten gaan om Meike stil te krijgen, toch? Wat had ze anders moeten doen?

Nu pas beseft Maja dat Sjaak steeds vaker naar zijn kamer ging als zij met Meike bezig was. Zou hij gevlucht zijn? Of was hij gewoon jaloers?

Don was weer aan het werk gegaan, bedenkt Maja zich. En zij…zij was vooral met Meike bezig geweest. Oh God…

Met het eerste licht van de ochtend komt Don weer thuis. Alleen. Zijn rood doorlopen ogen schreeuwen van zijn verdriet, zijn falen. Leeg ploft hij naast Maja neer. ‘Ik weet niet meer waar ik zoeken moet,’ zegt hij met lage stem.

‘Don,’ begint Maja. ‘Hebben we Sjaak misschien te weinig aandacht gegeven?’

‘Ik weet het niet,’ zegt Don na enige aarzeling. ‘We waren met zijn tweeën zo gezellig de kerstboom aan het versieren toen hij haar ineens sloeg.’

‘Ja, maar zij spuugde wel over zijn trui,’ helpt Maja hem herinneren. ‘Toen wij Meike weer troostten liep hij huilend weg. We hebben hem zomaar laten gaan… Don. We hebben hem zomaar weg laten lopen.’

Met zijn knuffel onder zijn hoofd en de warmte van de hond tegen zich aan valt Sjaak eindelijk in slaap. Een droom sluipt bij hem naar binnen.
Een vrouw met de naam Meike ontneemt zijn wereld alle kleur door uit zijn leven te vertrekken. Hem resten slechts grauwe en verlaten straten waar regen en mist de dienst uitmaken. Op een dag komt hij bij een groot plein met midden op een klein gebouwtje. De koepel ervan glanst van het vocht dat er uit het zware wolkendek op neerdaalt. Sjaak ziet dat er een deur uitnodigend open staat. Zou hij… Schoorvoetend loopt hij door. Eenmaal binnen wordt hij overweldigt door de warmte en het flakkerende licht van een groot vuur. Sjaak loopt naar het vuur om zich te warmen. Op een nog veilige afstand wijken de vlammen en onthullen een bekend gezicht dat getekend is door helse pijnen. Sjaak deinst terug als een plotselinge schreeuw de ellende van die mens onderstreept. Bevend van angst en niet wetend wat te doen, staart Sjaak in een bekend gezicht. Het is Erik.

‘Aiaiai Sjaak.’ Erik’s hoofd schudt slechts.

Sjaak staat als aan de grond genageld, niet wetend wat te zeggen.

‘Eenmaal verjaagd door Meike en nu een tweede maal? Heb je dan nog steeds de kracht niet om haar te leiden. Ontbreekt het je nog steeds aan de wijsheid om te kunnen bemachtigen waar jezelf behoefte aan hebt?’

Sjaak merkt niet dat er iemand naast hem is komen staan. Hij springt opzij als de vrouw hem aanspreekt. ‘Sjaak, dit is de laatste keer. Ga terug en deel de liefde voor jezelf met hen die om je geven.’

Sjaak schrikt wakker. Het vuur is weg net als de vertrouwde gezichten. ‘Cindy, Erik,’ gilt hij.

De hond blaft lang en hard. Sjaak springt overeind, de hond danst om hem heen. Samen rennen ze naar buiten, het ochtendlicht tegemoet. Kerkklokken in de verte kondigen op luide toon het feest van het nieuwe leven aan. Sjaak blijft staan. Als betoverd door het geluid dat over de kale weilanden rolt. De hond kruipt tegen hem aan en kijkt naar hem op. Sjaak slaat zijn arm om de hals van het dier en legt zijn wang tegen zijn kop. Ze blijven stil staan luisteren tot alleen het huilen van de wind over is.

‘Ga je mee naar huis, hond?’ fluistert Sjaak.

Een zacht gejank als antwoord begeleid de eerste paar passen van de hond. Dan komt hij terug en likt Sjaak in zijn gezicht.

Sjaak moet er een beetje om lachen. En dan zetten ze het allebei op een lopen. Hijgend blijft Sjaak voor de deur van zijn thuis staan. De hond blaft en jankt klaaglijk.

Don trekt de voordeur open en staart even naar zijn zoon en de hond die hem dicht tegen elkaar aan afwachtend aankijken.

‘Sjaak!’ roept hij dan zo luid dat iedereen in de straat het hoort.

Overal gaan deuren open en mensen komen in een kring om hen heen staan. Met Meike op haar arm snelt ook Maja het tuinpad op.

‘Mijn jongen, waar was je? Kom gauw binnen,’ roept ze. ‘Kom allemaal, het is koud buiten.’