Papa mag niet vliegen

Download dit verhaal:

File Description
epub SdK 16 Papa mag niet vliegen EB
pdf SdK 16 Papa mag niet vliegen

Voorwoord


Het weer verandert. Jongeren kunnen zich een elfstedentocht niet herinneren maar worden zich wel bewust van de zorgen daarover die bij de generatie vòòr hen leven. De boodschap van wetenschappers is voor de jeugd vaak nog onverstaanbaar, maar ouders, politici en docenten vertellen hen erover. Verhalen, die worden doorspekt met een schuldgevoel en een spijt van wat zij allemaal met het klimaat gedaan hebben. Er zijn ook andere geluiden van mensen met een totaal andere mening. Voor een aantal leiders is het de weg van de minste weerstand om de hen bekende technologie toe te blijven passen, ook al zijn die nog zo vervuilend. Door achterblijvende technische ontwikkelingen blijft er ook voor burgers niet veel anders over dan te gebruiken wat hen wordt aangeboden voor hun strijd om de welvaart waaraan zij zijn gewend.

Of die bewustwording van de jeugd over de veranderingen in het klimaat gaat leiden tot een revolte of ontwikkelingen van nieuwe technologie in combinatie met de invoering van prikkels om de oude technieken versneld uit te faseren of dat toekomstige generaties zich fysiek zullen gaan aanpassen aan de nieuwe omstandigheden zijn vragen waarop alleen de toekomst antwoord kan geven.

Sjaak ziet zich in zijn jonge leven al geconfronteerd met verhalen over klimaatveranderingen en wat er tegen gedaan zou moeten worden. Tegelijk ziet hij de onmogelijkheid ervan in zijn directe omgeving.

In ‘Papa, je mag niet vliegen’ wordt een aantal malen gerefereerd aan eerdere gebeurtenissen in het leven van Sjaak. Deze zijn terug te lezen in de afleveringen, die eerder zijn verschenen:

SdK 1 In goede handen – december 2013
SdK 2 Sjaaks nieuwe kans – april 2014
SdK 3 Een nieuw leven – december 2012
SdK 4 Sjaak de Kolck – maart 2013
SdK 5 Sjaaks moeizame start – december 2013
SdK 6 Sjaaks prille les – april 2014
SdK 7 Sjaaks kracht – december 2014
SdK 8 De verleiding – maart 2015
SdK 9 Het kerstdiner – december 2016
SdK 10 Bij de les blijven – maart 2016
SdK 11 Meike – december 2016
SdK 12 Cindy – april 2017
SdK 13 Sjaaks ontmoeting – december 2017
SdK 14 Fatima – maart 2018
SdK 15 De tijdtrap – december 2018

Ruud Macco
21 april 2019

Papa mag niet vliegen!


‘Wat zijn klimaatsep… klimaat s c e p … ‘ spelde Sjaak. Hij keek op van de krant waarop hij zijn leesvaardigheid oefende.

‘Klimaatsceptici staat daar, Sjaak.’ zei Don. ‘Dat zijn mensen die denken geen invloed te hebben op de veranderingen van het weer.’

‘Dat is wèl zo, hè pap. Juf Marjan zegt dat auto’s, boten en vliegtuigen de lucht vies maken en het weer veranderen.’

‘Ze heeft wel een beetje gelijk, denk ik. Alleen is er zoveel meer van invloed op het weer.’

‘Wat dan?’

‘Vulkanen, bijvoorbeeld en centrales om elektriciteit te maken en oorlogen.’

‘Oh. Maar dat zijn er niet zoveel als auto’s,’ zei Sjaak met diepe rimpels in zijn voorhoofd.

‘Vroeger, heel lang geleden, waren er geen auto’s of vliegtuigen,’ begon Don. ‘Boten hadden zeilen waardoor de wind ze vooruit kon blazen en mensen reisden per koets met paarden ervoor. De reizen duurden toen veel langer en mensen werden er vaak ziek van. Zeelui aten aan boord van hun schip bedorven eten, omdat ze geen koelkast of vriezer hadden en ze midden op zee geen vers eten konden kopen. En vulkanen, oorlogen en energiecentrales maken de lucht veel sneller vies dan een heleboel auto’s bij elkaar. En daar kunnen we niets aan doen, manneke.’

‘Wij hebben ook een auto,’ stelde Sjaak vast. ‘En we gaan ook met het vliegtuig op vakantie.’

‘Ja, dat is zo. Onze auto gebruik ik om geld te kunnen verdienen. Anders kunnen we straks geen eten meer kopen en ons huis niet meer betalen.’

‘O, soms gaan we ook met de auto naar school,’ zei Sjaak. ‘Alleen als het regent, hoor.’

‘Ja, dat zou dan ook niet meer kunnen,’ antwoordde Don. ‘Door in natte kleren op school te zitten kun je ook ziek worden.’

‘We hebben toch regenkleren!’ roept Sjaak.

‘Ja je kunt zeker beginnen bij jezelf,’ zegt Don. ‘In de hoop dat anderen het goede voorbeeld volgen.’

‘Breek jij je hoofd er nog maar niet over, Sjaak. Misschien, als je heel goed je best doet op school, kun je later iets verzinnen om de lucht en het water weer schoon te maken en schoon te houden.’
In het journaal van diezelfde avond ving Sjaak een glimp op van stakende kinderen op het Malieveld om te betogen voor een beter milieubeleid. ‘Kijk pap, die kinderen maken zich wèl druk,’ had Sjaak gezegd.

De weken erna volgden hoosbuien in afwisseling met onverwacht vroege zomerse dagen. Mensen genoten van het mooie weer maar spraken ook met verlangen over een elfstedentocht op de schaats. Degenen, die het nog weten konden, vertelden erover. Zelfs op de Zuidpool smolt het ijs en viel het in enorme brokken in zee. Mensen gaven de klimaatverandering de schuld alsof zij er zelf niets aan konden doen. Berichten over zware orkanen die vele landen teisterden als nooit tevoren en de stijgende zeespiegel voedde de onzekerheid over de toekomst. Zorgen dat een natte zomer de vakanties in het water zou doen vallen wisselden af met zorgen dat een te droge zomer het grondwaterpeil zo ver zou laten zakken dat oogsten zouden mislukken. Die geluiden klonken door op straat, op school, in de krant en op de televisie. Terwijl het water veel kustgebieden bedreigde, werden in ons land daken voorzien van zonnepanelen en bouwde men hele legioenen van windmolens in de bermen van wegen en in weilanden, waar hun wieken nog meer winden aan leken te trekken en de luchten deden gonzen van hun inspanningen. Belastingverhogingen op gas voor verwarming en koken trokken zorgelijke rimpels over veler gezichten. Ondernemers zagen zich geconfronteerd met hogere productiekosten en een groeiend leger van ouderen klaagde over de teloorgang van hun pensioenen. Zo zuchtten velen onder de druk van de klimaatveranderingen. Toch bleven oorlogen doorgaan en dicteerde de economie de politieke prioriteiten. Ondernemers bleven afhankelijk van hun omzet en deden alles om met nieuwe producten op het veranderende klimaat in te spelen.

Ook Don merkte een dalende omzet. ‘Als het zo door gaat, zal ik mensen moeten ontslaan,’ zei hij op een dag in het veel te warme voorjaar. Daarmee maakte hij in één klap zowel Maja als Sjaak en Meike deelgenoot van het probleem.

‘Komt dat door het weer?’ had Sjaak gevraagd.

‘Dat heeft er wel wat mee te maken, denk ik,’ antwoordde Don. ‘Deze winter was het niet koud genoeg voor nieuwe winterjassen. Of we ze volgend jaar nog kunnen verkopen, is de vraag.’

‘Misschien moet je de collectie aanpassen aan het warmere weer?’ opperde Maja. ‘En die winterjassen terugverkopen aan de leverancier. Het is daar toch nog wat kouder dan hier?’

‘Ik kan het allicht eens proberen,’ zei Don. ‘Misschien lukt het als ik gelijk een nieuwe partij van ze koop.’

Met veel puzzelwerk slaagde Don er in om nog voor Pasen een aantal gesprekken met leveranciers te plannen. Toen hij dat succes thuis deelde en daarvoor op reis te moeten, vlogen Sjaak en Meike hem gelijk om zijn nek.

‘Ik wil niet dat je weggaat,’ zei Meike.

‘Ga je met de trein?’ Sjaak’s vraag bleef even in de lucht hangen.

‘Nee, Sjaak. Ik moet gaan vliegen,’ had Don tenslotte gezegd.

‘Je mag niet vliegen,’ zegt Sjaak. ‘Je hebt zelf gezegd, dat je bij jezelf moet beginnen.’

‘Je hebt helemaal gelijk. Als ik voor Pasen terug wil zijn, kan het niet anders.’

Dat dilemma liet Sjaak even op zich inwerken, terwijl Meike gelijk vroeg of ze mee mocht naar het vliegveld.

‘Dat wil ik ook wel,’ zei Sjaak dunnetjes.

‘Jij moet naar school Sjaak. Weet je wat, ik zal je naar school brengen.’ zei Don.

Later die avond pakte Maja in hun slaapkamer Don’s koffer in, terwijl Don op de rand van het bed de benodigde documenten in zijn aktetas sorteerde.

‘Zit die Elze daar eigenlijk nog?’ vroeg Maja, terwijl ze ijverig stapeltjes kleding in Dons koffer schikte en herschikte.

Don hield op met het sorteren van zijn papieren en keek haar aan. ‘Geen idee,’ antwoordde hij voorzichtig. ‘Maak je geen zorgen. Ik heb geen behoefte om dat hoofdstuk nog eens te lezen.’ Hij trok zijn Maja naar zich toe en kuste haar zacht en intens.

‘Wil je die werkkleren morgen aanhouden?’ wist ze gesmoord te vragen.

‘Beter van niet, ik stop mijn jasje wel in de koffer,’ mompelde Don.

‘Lijkt me goed,’ bracht Maja uit, Gelijk frummelde ze de knopen van zijn hemd los.

Met een grijns op zijn gezicht schuifelde Don met Maja in zijn armen voorzichtig naar de deur van hun slaapkamer en draaide hem op slot.

Op de ochtend van vertrek praatte Meike aan de ontbijttafel honderduit. Diepe rimpels in zijn voorhoofd en een blik op de muesli in zijn bord verraadden echter dat Sjaak ergens mee zat.

‘Waar ga je eigenlijk heen?’ vroeg hij ineens alsof hij tot een conclusie was gekomen.

‘Naar Litouwen. Maar woensdag ben ik weer terug.’

‘Moet je daar persé heen?’ vroeg Sjaak. ‘Je kunt toch ook gewoon internetten?’

‘Dat zou kunnen, bij zaken moet je elkaar nu eenmaal in de ogen kunnen kijken en de hand kunnen schudden.’ Don tilde Sjaak op en gaf hem een stevige knuffel. ‘Kijk zoiets kun je niet via het internet doen.’

Sjaak sloeg zijn armen om zijn papa’s nek en zei: ‘Dan hoef je toch niet te gaan vliegen.’

‘Misschien komt het ooit zover, knul. Het internet is nog lang niet goed genoeg.’ Don zette Sjaak weer neer. ‘Kom laat me de koffer even in de auto zetten.’

Don, Maja en Meike brengen samen Sjaak naar school. Een beetje sip loopt hij aan de hand van Don de klas in. Zijn juffrouw merkt de spanning bij Sjaak en roept hem bij zich.

‘Wat is er Sjaak?’

‘Mijn papa gaat vliegen,’ zegt hij met een benepen stemmetje.

‘Oh? Dat is spannend! en wanneer komt je papa terug?’

‘Volgende week. Maar hij mag toch niet vliegen?’

‘Waarom niet?’

‘Omdat het weer dan verandert?’

‘Daar heb je helemaal gelijk in, maar dat gaat niet zo snel, Sjaak. Weet je ook waarom je papa gaat vliegen?

‘Voor zijn werk.’

‘O? Dan kan het vast niet anders.’

Sjaak knikt, geeft zijn pappa, mamma en Meike ieder een kus en sjokt naar zijn plaats in de klas.

Toen Sjaak uit school kwam en nadat Cindy hem als vanouds had begroet, zag hij dat Meike zijn lego-vliegtuig en het bijbehorende vliegveld, waar hij zo hard aan gewerkt had, had afgebroken. De blokken lagen verspreid door de hele speelhoek. Cindy duwde haar neus tussen de blokken door, snuffelde aan Meike en zwaaide een natte tong over Sjaaks hand.

‘Nouhouw! Kijk nou wat je gedaan hebt,’ schreeuwde Sjaak. Met een mep zette hij zijn woorden kracht bij. Hij veegde alle blokken bij elkaar en trok de laatste ruw uit Meikes vingers. Zij begon prompt te krijsen en liep de kamer uit. Maja kwam naar beneden gestormd met haar gezicht op onweer.

‘Kun je wel tegen je kleine zusje?’ vroeg ze korzelig en tilde Meike op om haar te troosten.

Sjaak schoot gelijk in de verdediging en meldde met tranen van boosheid luidkeels welk onrecht hem was aangedaan en dat hij nu opnieuw met bouwen moest beginnen. Mokkend raapte hij al zijn lego bij elkaar en deponeerde die op de eettafel. Maja bekeek zijn afgemeten bewegingen hoofdschuddend.

‘Weet je, Sjaak. Vliegen is slecht voor het klimaat. Waarom bouw je geen trein?’

‘Daarom hoeft ze mijn vliegveld nog niet af te breken! Moet je kijken. Alles is kapot. Ik vind Meike niet meer lief.’

Alsof die mededeling Meike op een gedachte bracht, was ze de dagen daarna niet te genieten. Wanneer Sjaak op de grond een puzzel maakte, stapte Meike er doorheen en schopte de stukjes alle kanten op. Zijn lego bouwwerken brak ze onder zijn handen af. Wanneer Sjaak haar ruw wegduwde, haalde ze luidkeels jammerend verhaal bij Maja. Die werd er horendol van. Tegen haar verzoek om niet zo snel boos te worden, protesteerde Sjaak luidkeels door Meike een stom pestkind te vinden. Een suggestie om op zijn kamer te gaan spelen deed hij af door te zeggen dat ze beter zelf naar boven kon gaan. Vervolgens begon het gekrakeel weer opnieuw. Sjaak pakte haar poppen en smeet die als een zoete wraak door de kamer. Dan weer was het Meike’s beurt om luidkeels haar beklag te doen. Zo meanderden Maja’s eigen zorgen over Dons verleidingen in Litouwen door alle obstakels van die dagen heen. Don belde iedere avond eerst met de kinderen. Dan praatte hij eerst even tegen Meike, waarin zij haar beklag deed over Sjaak, waarna het Sjaaks beurt was om zijn beklag te doen.

‘Papa, weet je, er is een hééééle grote ijsberg afgebroken en in zee gevallen. En weet je hoe dat komt?’ zei Sjaak op een dag.

‘Laat me raden,’ had Don gezegd. ‘Komt dat door het weer?’

‘Ja, door het klimaat. Ik heb het op school op een filmpje gezien. Die ijsberg was wel zo groot als een héél land.’

‘Dat is wel heel erg,’ zei Don daarop. ‘Dan slaan we de vakantie dit jaar toch over.’

‘Mij best,’ zegt Sjaak. ‘Tot woensdag!’

Als de kinderen allang op bed hoorden te liggen belde Don altijd nog een keer naar Maja. Vragen naar Dons plannen voor de avonden of met wie hij allemaal gesproken had, wilde ze niet. In plaats daarvan probeerde ze zich te beperken tot de gang van zaken. Beelden over Don en Elze werkten als zand in haar stem. Woorden bleven steken. Al keek ze hele dagen uit naar dat moment van contact, was ze tegelijkertijd bang niets te kunnen zeggen. De twijfel, die zij in zijn stem meende te horen groeien, voedde die angst. Van zijn kant vermeed ook Don de naam ‘Elze’ ook maar een enkele keer te laten vallen. Het maakte ook zíjn woorden stroef. Dat zij in de onderhandelingen nu net zijn leverancier vertegenwoordigde, had hij als een overval ervaren. Toen Karolis, de directeur van het bedrijf, hem voorstelde aan zijn onderhandelingsteam, had zijn hart een paar slagen gemist. Als een tsunami had zijn bloed zich eerst uit zijn gezicht weggetrokken om vervolgens met kracht weer terug te keren en hem op te zadelen met een bonkende hoofdpijn.

‘Elze? Jij hier?’ had hij gestameld.

‘Ja, leuk om je weer te zien, Don.’

‘Kennen jullie elkaar?’ had Karolis gevraagd.

‘Ja, in andere omstandigheden,’ zei Don. ‘Karolis, het lijkt me geen goed plan om … .’

‘Och kom,’ was de reactie. ‘Jullie kennen elkaar, dus jullie komen er vast wel uit.’

Don had angstvallig vermeden om Maja van deze ontwikkelingen op de hoogte te brengen. Hij voelde zich als tussen twee vuren in bij een natuurbrand waarin alle ontsnappingswegen waren geblokkeerd. Dat maakte de gesprekken met de beide vrouwen zeer moeizaam. Zakelijk wilde het niet vlotten en privé voelde hij teveel informatie te moeten achterhouden onder druk van Maja’s argwaan. Die krampachtigheid was ook Karolis opgevallen. Dinsdags voor Pasen, een dag voor Dons geplande terugreis, nodigde hij Don daarom uit voor een diner.

‘Het gaat niet lekker, hè,’ begon Karolis bij het dessert.

‘Nee, Karolis. Laat ik gelijk met de deur in huis vallen,’ antwoordde Don. ‘De vorige keer, toen ik hier was liep het thuis niet zo lekker en hebben Elze en ik iets samen gehad. Daar is Maja heel boos over geweest. Daarop heb ik alle contacten met Elze verbroken. Tot nu toe lukte dat aardig.’

‘Zoiets begon ik al te vermoeden, Don. Hoe is het nu met je vrouw?’

‘Stinkend jaloers en bang dat ik Elze weer zou opzoeken.’

‘Ik begrijp het.’

‘Elze en ik hebben er destijds in goede harmonie een punt achter gezet, dacht ik. Toch wringt het, merk ik nu. Het loopt door de onderhandelingen heen. Elze zegt niet op tijd een nieuwe collectie te kunnen leveren met de kortingen, die ik van jullie gewend ben. Voor de catalogusprijs raak ik die handel niet kwijt.’

‘Zo’n vermoeden kreeg ik al, Don. Wat is je voorstel?’

‘Ik weet wat ik wil kopen. Alleen de levertijd, de prijs en de mogelijkheden van inruil lijken met haar onbespreekbaar. Een andere gesprekspartner zou me daarom zeer welkom zijn.’

‘Pijnlijk, Don. Omdat ik graag zaken met je doe, stel ik voor dat wij samen daar een besluit over nemen. Goed?’

‘Dat zou fijn zijn.’

‘Wanneer vlieg je terug?’

‘Morgenmiddag rond vier uur.’

‘Als je twee dagen langer kunt blijven, kan ik wat regelen.’

‘Dat zal Maja niet leuk vinden.’

‘Eerder lukt me echt niet, Don. Hopelijk maakt het resultaat alles goed.’

‘Graag dan,’ zei Don aarzelend terwijl hij dacht hoe het Maja en de kinderen te moeten vertellen.
Karolis stak een hand uit waarmee hij Don uit zijn gepeins trok.

‘Sorry, Karolis,’ zegt Don en bezegelde met een ferme handdruk hun afspraak.

Later die avond belde hij Maja vanuit het hotel. De gedwongen koetjes en kalfjes legden nog meer dan anders het ongemak in zijn stem. Maja voelde dat feilloos aan.

‘Wat is er, Don?’ Maja onderbreekt Dons stroom aan nietszeggende woorden. ‘Ben je weer … , is Elze soms …’

‘Ja, Elze is hier weer.’ zegt Don met een zucht. ‘Maar … ‘

‘O Don, niet nog een keer hè?’ Er schoot een brok in haar keel. Ze smeet de telefoon van zich af en zakte snikkend met haar hoofd in de kussens op de bank. Twee tellen later verdreef de verontwaardiging en boosheid haar verdriet. Woest pakte ze de telefoon weer op om Don zijn vet te geven. Te laat, de verbinding was weg. Een signaal dat er een nieuwe voicemail is ingesproken negeerde ze met een hartgrondige reeks scheldwoorden.

Geschrokken door Maja’s reactie staarde Don naar de telefoon. Zijn roepen bleef onbeantwoord. Hij schreeuwde bijna dat het niet was wat zij dacht. Toen de verbinding uiteindelijk werd verbroken, staarde hij steunend met zijn hoofd op zijn handen dof voor zich uit. Een nieuwe poging om Maja te bellen leidde hem naar haar voicemail. Hij had het geen bericht voor een voicemail gevonden, maar sprak toch in. ‘Het is niet wat je denkt. Bel me alsjeblieft terug, Maja.’ In een poging om de slaap te vatten kroop hij zijn bed in. Een uur later probeerde hij haar nog een keer te bellen. Tevergeefs. Ten einde raad stuurde hij haar een sms.
Boosheid verdreef Maja’s nachtrust en bracht allerlei beelden van Don in de armen van die ander. Haar emoties schoten alle kanten op. Van boosheid, wraak en verdriet naar verslagenheid. Desondanks wist de wekker met zijn schrille geluid haar de volgende morgen te verrassen. Sjaak was op het geluid van de wekker haar slaapkamer ingekomen en op het plekje van zijn vader geschoten.

‘Je huilt,’ zei hij en veegde een traan van haar wang. Hij sloeg een arm om haar heen en drukte een lange kus op haar wang. ‘Waarom?’

Daarmee verdreef hij haar gevoel een mislukkeling te zijn. Als zon door een regenwolk brak er een glimlach door haar tranen heen. Zij streek Sjaak door zijn haren. ‘Ik mis papa,’ zegt ze tenslotte. ‘En jij?’

‘Hij mag nooit meer weggaan, hè? Wanneer komt papa weer thuis?’

‘Ik weet het niet, manneke. Ik weet het niet.’ Opnieuw welde er een traan in haar ooghoek. ‘Kom, we moeten eruit. Jullie moeten naar school.’

Die avond belde Don zoals gewoonlijk met de kinderen. Met moeite probeerde hij Meike op te beuren en vertelde haar, dat hij zaterdag voor Pasen weer thuis zou zijn.’

‘Gaan we volgende week dan naar de dierentuin, papa?’

‘Zeker Meike. Dat gaan we doen,’ had hij gezegd ondanks de druk van zijn beslommeringen.

‘Ik mis je zó pappa,’ zei Meike tenslotte en gaf de telefoon een kusje.

Ze gaf de telefoon aan haar moeder, die hem voor Sjaak hield. Sjaak griste hem uit haar handen.

‘Wanneer kom je thuis, papa?’ zei Sjaak ferm.

‘Zaterdag pas, kerel.’

‘Weet je, papa, mama moest huilen.’

‘Oh ja?’ Don slikte. Woorden bleven hangen in zijn keel.

‘Ben je er nog? Papa!’

‘Ja kerel. Geef mama een kusje van mij en zeg haar dat ik straks nog wel bel.’

‘Mama, papa komt zaterdag thuis,’ zegt Sjaak en geeft haar twee zoenen. ‘Zo dat is er een van papa.’ en weg was hij.

Zonder met Don te praten zette Maja de telefoon uit. Het koken en het naar bed brengen van de kinderen verdrongen haar sombere gedachten. Daags voordat Don weer thuis zou komen zag Maja ‘s avonds laat pas de lijst berichten op haar telefoon. Ze opende de laatste en las: Dag Maja, hopelijk is alles goed met je. Karolis heeft Elze aan de onderhandelingstafel vervangen. Heb al zo lang niets van je gehoord. Ik mis je en kijk uit naar zaterdag. Mijn vlucht vertrekt ‘s morgens al om zes uur. Als alles goed gaat land ik om half tien op Schiphol. Helaas niet op Eindhoven Airport. Dus kom wel met de trein. Liefs Don. Het bloed steeg Maja naar het hoofd. Met bonkende slapen las ze het bericht nog een keer. Met dit bericht durfde ze de andere berichten niet meer te lezen. Wat een idioot ben ik geweest! Don is vast boos op me. Natuurlijk is hij boos. Oh, shit! En nu? Een verrassing? Zorgen voor een verrassing. Ja, dat is het. Hoe laat landt hij? O jee, half tien al. Geen tijd meer om wat te kopen. De kamer versieren. Ja! Ze ijlt naar de kast met de slingers. Die hangt ze in recordtempo op. De ene kant aan een gordijnroede en de andere via de lamp aan de kast. Een tweede vanaf de lamp naar de deurpost waarin ze een punaise probeerde te drukken. Een haastig gepakte hamer liet ze vallen op haar voet. Strompelend klom ze opnieuw op de stoel om de punaise in het hout te kunnen drijven. Ze verdrong de pijn in haar voet en strompelde naar de keuken. Kan ik nog een cake bakken? Kijken, wat heb ik nog. Melk, cakemail, eieren? Ja. Hoe laat is het? Elf uur al. Moet nog kunnen. Toen de cake in de oven stond bedacht ze nog een speciaal paasmenu voor zaterdagavond om te vieren dat Don weer thuis is. Knoflookgarnalen vooraf, vinden de kinderen ook lekker. En als ze naar bed zijn, dan … dan kabeljauw met een lekkere bearnaisesaus, kriel aardappeltjes en groene asperges. Dons lievelingseten. IJs met fruit toe. En dan … Wat zal ik aandoen? Ze las ze het bericht nog eens en nog eens. Haar vingers beefden even boven de knoppen van de telefoon en tikten na lang aarzelen een bericht in.
Wij staan morgen om half tien op Schiphol, tot dan xxx Maja.

Zaterdagochtend staat Maja met een bos bloemen in de aankomsthal met haar neus vooraan op Don te wachten. De kinderen hebben ieder een ballon. Voor papa hebben ze allebei een tekening gemaakt. Het wachten duurt lang. Het is al over tienen als Don de hal in komt. Bij het weerzien versnelt hij zijn pas, laat zijn koffer op de grond vallen en geeft Maja een dikke zoen. Dan bukt hij zich en knuffelt uitgebreid met Sjaak en Meike. Hij bekijkt hun tekeningen. Die met donkere wolken uit een fabriekspijp naast een vliegtuig van Sjaak en een bont gekleurde plaat van Meike.

‘Dat is een ijsbeer,’ zegt Meike trots.

‘Oh wat mooi kinderen! Dank je wel. Sjaak, wat heb jij getekend?’

‘Dat zijn vieze schoorstenen van een fabriek van vliegtuigen. Dat is jouw vliegtuig,’ zegt Sjaak. ‘Het vliegt naar de blauwe lucht. Zie je daar is de lucht heel vies en daar is die nog schoon.’ Sjaak wijst het heel precies aan. ‘Weet je, papa, mama moest huilen,’ Sjaak haakt die mededeling er plompverloren aan vast waarbij hij zijn vader strak aankijkt met een blik die meer spreekt dan een beschuldigende vinger.

Langzaam maakt Don zijn blik los van Sjaak en kijkt Maja aan. ‘Waarom, Maja?’

‘Misschien wel omdat ze niet wilde dat je ging vliegen,’ werpt Sjaak op.

‘Niet nu,’ zegt ze. Ze begraaft haar gezicht in Don’s hals.

Don strijkt over haar haren. Zo staan ze even. Roerloos. Sjaak staat er wat bedremmeld bij te kijken, maar Meike duurt het gauw te lang. Zij trekt aan Dons jas. ‘Kom,’ zegt ze. Don pakt zijn koffer op. Maar voor hij ermee weg kan lopen, trekt Sjaak de koffer uit zijn handen.

‘Doe ik wel,’ zegt Sjaak stoer en rolt de koffer achter hem aan naar de uitgang. En nou niet meer vliegen hè pap?

Lachend wil Don achter hem aan lopen als hij merkt dat Maja niet soepel loopt.

‘Wat heb je?’ vraagt Don.

‘Dat vertel ik straks wel, Don.’

Thuis parkeert Don zijn koffer in de hal. Sjaak en Meike lopen voor hem uit de woonkamer in. Cindy glipt gelijk de hal in en begroet Don alsof ze hem al jaren gemist had. Ze rent terug de kamer in en weer terug met een speeltje in haar bek. Ze legt het aan zijn voeten en draait om Don heen. Don lacht en haalt het dier aan. ‘Tataaa,’ roepen Sjaak en Meike tegelijk vanuit de woonkamer om de verrassing van de versiering in te leiden.

‘Heeft mama zelf opgehangen,’ zegt Sjaak.

‘En daarbij de hamer op mijn voet laten vallen,’ zegt Maja.

‘De hamer?’ echoot Don. Hij schiet in de lach. ‘Om slingers op te hangen? Maja toch!’

‘Ja, Don. Je kunt ook nooit eens gaan vliegen.’ Een scheef lachje strijkt over haar gezicht als ze zegt zich goed te zullen redden, maar toch beter te zijn in koffie zetten en cake bakken. Dan plotseling weer serieus: ‘Hoe is het in Kaunas gegaan? Heb je nog wat bereikt?’

‘Het slechte nieuws is, dat we de voorraad van Shield and Go zelf moeten opruimen. Ook daar zijn de winters niet meer zoals ze gewend zijn. Het goede nieuws is, dat we in het voorjaar en de zomer een heel nieuwe modelijn in de schappen zullen kunnen hangen. Ze geven ons voorrang bij de levering en ik heb wat korting gekregen.’ Het klinkt alsof Dons woorden al een moment van ontsnappen hadden gezocht.

‘Is het gevaar daarmee geweken?’

‘Zeker. Die winterjassen doen we nu direct in de uitverkoop en maken van de overblijvers een speciale aanbieding voor de herfst.’

‘Waarom moest je daar eigenlijk langer zijn?’
Maja slaat haar ogen neer onder Dons indringende blik en maakt aanstalten om naar de keuken te gaan. Don pakt haar hand en dwingt haar te blijven zitten. Als hij het hele verhaal verteld heeft, pakt hij haar gezicht in beiden handen geeft haar een kus en fluistert:

‘Pasen is ook een feest van vertrouwen, in ons beiden, onze toekomst en die van onze kinderen. Ik ben blij dat de lucht is opgeklaard.’
Maja knikt en fluistert: ‘Zeker, Don. Ik begrijp niet, hoe ik … .’

‘Ssst, Maja. Fijne paasdagen.’