Sjaak´s kracht / een verhaal van Ruud Macco

Sjaaks kracht

Voorwoord


Ons leven lijkt kort. Zeker ten opzichte van de leeftijd van ons heelal. In die korte tijd van ons leven leren we veel. Een deel daarvan is gericht op de aardse ontwikkeling een misschien wel groter deel op onze geestelijke groei. Beide categorieën komen op ons levenspad. Aan het einde van ons leven stopt onze bijdrage aan de aardse ontwikkeling. Of dat ook geldt voor onze geestelijke ontwikkeling is nog maar de vraag.

Voor Sjaak was één aards leven niet voldoende. Hem werd een tweede cyclus gegund om zijn levenslessen te voltooien. Vanaf december 2011 heb ik er tweemaal per jaar verslag van gedaan in de volgende verhalen:

SdK 1 In Goede handen – 13 december 2011
SdK 2 Sjaaks nieuwe kans – 3 april 2012
SdK 3 Een nieuw leven – 24 december 2012
SdK 4 Sjaak de Kolck – 26 maart 2013
SdK 5 Sjaaks moeizame start – 20 december 2013
SdK 6 Sjaaks prille les – 18 april 2014

Nu, december 2014, kunt u lezen over Sjaak’s kracht.

Vanuit de gedachten dat ieder’s leven uiteindelijk moet leiden tot een verrijking van je denken en doen in relatie tot je zelf, tot andere mensen en tot alles wat er om ons heen leeft of zelfs slechts aanwezig is, moet ieder mens tot de conclusie komen, dat de resultante van alles wat we doen een constructieve bijdrage aan onze ontwikkeling moet leveren.

Ruud Macco
16 december 2014

Sjaak’s kracht


Met zijn handen in zijn zakken en zijn hoofd laag tegen de kraag van zijn winterjas loopt Don door de modderige straten. De sneeuw was niet vroeg deze winter. De gemeente is die gelijk met een overdaad aan zout te lijf gegaan. Het gevolg is een grote kliederige brij, waardoor mensen liever laarzen aandoen dan schoenen.

Don laat het hoofd hangen. Gekweld door de onzekerheid van een toekomst voor zijn handel en dus van zijn verdiensten. In dit weer dragen mensen laarzen of hoge schoenen. Sokken of panty’s zijn nergens te bekennen. Zomers zie je tegenwoordig zelfs mannen met blote voeten in hun schoenen. Don rilt even bij de gedachten. ‘Smerig,’ denkt hij. ‘Schimmel kwekerijen zijn het, die schoenen. Misschien doen ze het ’s winters ook wel.’


Het heeft hem pijn gedaan om zijn medewerkers te ontslaan. Hij kent hun vrouwen en kinderen. Een grote familie, die nu uit elkaar is gevallen.

‘Als het weer wat beter gaat dan zie ik jullie graag terug,’ had hij op hun laatste werkdag gezegd.

‘Jaja, je denkt toch niet dat we daarop gaan zitten wachten?’ riepen ze boos.
Door zijn tranen heen heeft hij ze allemaal zijn hand toegestoken. Slechts één van hen had zijn hand geschud. De echo van diens stem klinkt nog na in zijn hoofd. ‘Sterkte.’ Zijn hele wereld lijkt er door te zijn weggezogen.

‘Sterkte,’ Hij zou er best wat meer van kunnen gebruiken.

Nu werkt hij alleen nog met zijn eigen Maja. Die lieve meid.
Zonder hem zou ze misschien veel beter af zijn. Dan was ze vast een iemand tegengekomen met een vaste baan en een goed salaris. Dat was ook beter geweest voor Sjaak. Als hij aan zijn kleine Sjaak denkt worden zijn ogen vochtig. Tranen trekken koude sporen over zijn wangen.

Don loopt een cafeetje in en gaat in een donker hoekje aan een tafeltje zitten. Hij heeft geen geld en geen trek. Desondanks bestelt hij een kop koffie bij het meisje dat aan zijn tafel komt.

Mensen aan een tafeltje naast hem wrijven hun voeten warm. Rode tenen en zolen onder bleke enkels. Hun laarzen staan met drijfnatte bontranden onder de tafel

‘Getver,’ denkt Don. ‘Met blote voeten in laarzen.’ Als hij daarover nadenkt dringt ook de kou in zijn eigen voeten tot hem door. Hij schuift zijn stoel naar achteren en legt zijn ene been plat over het andere. Hij durft zijn schoenen niet uit te trekken. Bang als hij is, dat hij die natte boel niet meer aan krijgt. Die blubber zit zelfs op zijn broekspijpen en zijn schoenen waarvan het leer verzadigd is van water.

De serveerster zet de koffie op zijn tafeltje. Starend naar de schuimende koffie verdwijnt zijn zin in koffie op slag. Met een vast aangetrokken knoop in zijn maag schuift hij het kopje aan de kant en loopt weg.

Als Don de sleutel in het slot van de voordeur steekt, spitst Sjaak zijn oren. ‘Papa?’ zegt hij verrast. Hij staat direct op en rent naar de kamerdeur, die hij enthousiast opengooit.

‘Dag kleine man,’ zegt Don. ‘Zal ik met jou gaan spelen vandaag?’ Maja’s vorsende blik zorgvuldig ontwijkend loopt hij de kamer in.

‘Ben je er al weer? Moet je niet naar de markt vandaag?’ vraagt Maja.

‘Dat heeft toch geen zin. Niemand zit op sokken te wachten. Ze lopen allemaal met hun blote voeten in gevoerde laarzen,’ zegt Don.

‘Hoe weet je dat nou. Als je je handel niet laat zien, koopt er allicht niemand wat.’

‘Ik zeg je toch dat het geen zin heeft. De omzet loopt al jaren terug. Mensen willen geen sokken of kousen meer. Ze steken hun blote voeten liever zo in hun schoenen.’’

‘Als die sokken van je niet meer verkopen, moet je wat anders zoeken.’

‘Wat dan?’

‘Wat mensen willen kopen natuurlijk. Als je nu niks doet, moeten we straks ons huis nog verkopen.’

‘Wat is dat dan,wat mensen willen kopen? Mensen bezuinigen op alles.’

‘Dan zoek je een baantje ergens,’ zegt Maja. ‘Anders ga ik wel werken en blijf jij bij Sjaak.’

‘Oh, gaan we zo beginnen. Nou als we niet genoeg verdienen om dit huis te kunnen betalen dan verkopen we het en gaan we huren.’

‘De bank ziet je aankomen. De huizenprijzen dalen als een gek. En onze hypotheek niet. Ik kan beter ergens een baantje zoeken. En jij ook. En Sjaak kan wel naar een crèche,’ zegt Maja beslist. ‘Hoe weet je trouwens dat mensen geen sokken meer dragen? misschien moet je je handel eens moderniseren,’ voegt ze er strijdlustig aan toe.

‘Mode heeft er geen moer mee te maken,’ antwoord Don. ‘In het café had niemand sokken aan.’

‘In het café? Waarom ga jij naar een café als je geen stuiver verdient? Is mijn koffie niet goed?’

Don bukt zich om Sjaak op de grond te zetten. De fonkelende ogen van Maja ontwijkt hij door haastig de kamer weer uit te lopen.

‘Papa spelen?’ hoort hij zijn kleine Sjaak nog zeggen voordat hij de kamerdeur dichtslaat.

Sjaak zet het op een schreeuwen en slaat zijn kleine vuistjes tegen de deur.

‘Papa spehehelen,’ snikt hij.

Maja pakt Sjaak op en probeert hem te troosten. ‘Papa voelt zich niet zo lekker,’ zegt ze. Het komt wel weer goed. Maja geeft hem een extra dikke knuffel.

De klap van de voordeur klinkt pijnlijk hard. Het duurt even voor Maja met de huilende Sjaak op haar armen naar buiten loopt. Huiverend van de kou en met Sjaak op haar arm kijkt ze de straat uit. Don is al nergens meer te bekennen. Wel staat zijn bus met handel nog onaangeroerd langs de straat.

‘Papa weg,’ zegt Sjaak. Hij spreidt zijn armpjes en kijkt verwachtingsvol naar zijn moeder.

‘Ja, papa is misschien toch naar de markt,’ zegt Maja tegen beter weten in. Met een diepe zucht loopt ze weer naar binnen.

Starend naar de blubber onder zijn voeten, loopt Don door de stad. ‘Misschien heeft ze wel gelijk gehad,’ denkt hij, terwijl hij kluiten ijs van zijn schoenen stampt. ‘Waar zou ik het geld vandaan moeten halen om iets nieuws te beginnen? Ik zal een baan moeten zoeken. Maar wat voor een en waar? Overal werklozen en dan kom ik aankloppen. En wie heeft er nu een marktkoopman nodig?’

De markt op in het centrum van de stad is niet druk. Voor enkele kramen verdringen vrouwen zich om lappen uit een grote berg los gestort goed te graaien. Een paar kramen verderop hangen de kunstbenen met mayo’s en panty’s lusteloos heen en weer te zwaaien in de wind.

‘Slappe handel, niet?’ zegt de verkoper tegen Don. ‘Ik zie, dat je verstek hebt laten gaan.’

‘Ja, het heeft niet veel zin om te gaan staan blauwbekken. De handel wil niet op het moment.’

‘Wat je zegt. Ik hoop het uit te kunnen zingen tot het voorjaar en er weer wat leven in de handel komt.’

‘Ik help het je hopen, want de handel loopt al tijden terug,’ zegt Don. ‘Nou sterkte ermee.’ Don loopt weer verder. Schaduwen van hoge gebouwen omlijsten zijn sombere gedachten. ‘Had ik maar gestudeerd. Dan had ik nu een goed betaalde baan. Mijn Maja zou trots op me geweest zijn en Sjaak zou op school opscheppen over zijn knappe pappa.’ Met een snelle haal veegt hij met zijn mouw de tranen uit zijn ogen. Hij haalt een keer diep adem en kijkt omhoog alsof daar enige troost voor hem klaar zou staan. Zijn blik glijdt van de top van een hoge torenflat naar beneden. Voor zijn ogen speelt het contrast tussen de duisternis die hij met zich meebrengt en de hel verlichte toekomst van Maja. ‘Maja is nog jong en mooi. Ze loopt vast een betere partner tegen het lijf. En Sjaak? Zou hij mij missen?’ In gedachten ziet hij Maja en Sjaak samen gelukkig aan tafel zitten tot zijn eigen schaduw die idylle onbarmhartig verstoort.

‘Nee, nee, dat niet,’ zegt Don hardop. Mensen kijken hem verbaasd aan en schudden hun hoofd. Geschrokken van zijn eigen stem, die de blikken van mensen naar hem toegetrokken heeft, slikt hij de omhoog klimmende onrust weg.
Aan de voet van het hoge gebouw blijft Don staan. Hij telt de etages en komt tot tien. ‘Hoe lang zou het duren?’ denkt hij. Het is druk op het plein. Mensen slenteren er hun lunchtijd weg. Fietser en auto’s krioelen door de straten om het gebouw heen. Don kijkt naar de mensen. Nee, nee, nee, alleen ik.’ Geschrokken van zijn eigen gedachten, loopt hij verder. Hij loopt steeds sneller tot hij half rennend en half struikelend de stad door rent. Hij ziet niet de starende blikken van de mensen om hem heen. Bij iedere botsing mompelt hij een verontschuldiging en rent dan weer door. Als hij weer ziet waar hij is staat hij in een park. Daar laat hij zich in gezelschap van vocht en kou op een bankje zakken. Voorover gebogen zit hij daar met zijn hoofd in zijn handen en huilt.

Het lukt Maja die dag niet om Don’s zwaarmoedigheid uit haar gedachten te bannen. Zelfs het spel met Sjaak is daarvoor niet sterk genoeg. Het is alsof Sjaak haar onrust voelt. Tegelijkertijd voedt hij die door steeds weer naar papa te vragen. Zelfs de lunch gaat verloren in de duisternis van een dreigende wolk boven haar. Ook Sjaak wil niet eten. Hij schuift zijn bord resoluut aan de kant en steekt zijn armpjes uit naar Maja.

‘Jij hebt ook geen trek hè. Nou kom nog maar even bij me zitten.’ Met Sjaak op schoot leest Maja een verhaaltje voor.

Sjaak kijkt niet in het boekje. Zijn ogen blijven strak gericht op Maja’s gezicht. ‘Mama huilen?’ Sjaak legt zijn hoofdje tegen Maja’s schouder.
Het verhaaltje valt stil. Het boek valt met een klap op de grond. Maja drukt zacht neuriënd haar neus in Sjaak’s haren en Sjaak nestelt zich dicht tegen haar aan.

‘Het is tijd voor je bedje, Sjaak,’ zegt Maja tenslotte.

Sjaak laat zich gedwee in bed leggen, maar kan de slaap niet vatten. Steeds weer vraagt hij naar zijn papa, gaat weer staan in zijn bed en kijkt dan vol verwachting naar de deur. Die blijft dicht en in de rest van het huis is het stil. Uiteindelijk weet Maja hem met sussende woordjes op haar schoot in slaap te wiegen. Voorzichtig legt ze hem slapend terug in zijn bed. Het duurt niet lang of een angstige droom krijgt vat op hem.

Met het weinige dat hij bezit loopt Sjaak op straat. De straat, die hem rest als het enige doel in zijn leven. Het eenzame nachtje in de politiecel heeft hem verzoend met het idee dakloos te zijn. Nu staat hij echt op straat. Het wordt zijn eerste nacht op straat. Vreselijk vindt hij het. Hij is zijn eigen huis uitgezet. Het ergste vindt hij nog, dat ze hem van al zijn spullen hebben geroofd. Daarmee is elk gevoel van empathie voor zijn medemensen gedoofd. Sinds ze hem op straat hebben gezet, loopt hij van het ene bankje naar het andere. Alleen die ene foto van zijn moeder, die hij nog heeft kunnen redden en die hij nu onder zijn kleren tegen zijn huid voelt, koestert hij.

Moe van het geslenter ploft hij ’s middags neer op een bankje in het park. Voorovergebogen met zijn hoofd in zijn handen probeert hij de rondtollende gedachten tot bedaren te brengen. De vragen blijven komen. ‘Waarom is zijn Meike bij hem weggegaan? Waarom moest hij zijn huis uit?’ Wat hebben ze met zijn spullen gedaan? Waar kan hij heen? Waar krijg ik een nieuwe baan?’ Zonder antwoorden glijdt de dag traag voorbij. Het wat begint al wat te schemeren als hij gezelschap krijgt. De man laat zich naast Sjaak zakken op het bankje en begint te praten.’
Hij is failliet, berooid en heeft een berg schulden. Al zijn ellende gooit hij er uit. Sjaak knikt een paar keer, meer om te laten zien dat hij luistert. Door zijn eigen ellende hoort hij nauwelijks wat de man zegt. Als die man al zijn problemen en grieven tegen de wereld kwijt is, wordt hij stil. Ook Sjaak weet niet wat hij zeggen moet.
Onverwacht staat de man op en loopt naar een groep bomen langs het pad. Voordat Sjaak zich realiseert wat de man van plan is, zit die al hoog in een boom en haakt een punt van zijn sjaal over een stomp van een tak.
Ineens dringt het tot Sjaak door wat de man van plan is. Hij springt op en schreeuwt, ‘Nee, niet doen. Neeheehee.’
De man springt uit de boom. Zijn lichaam schokt als de sjaal strak komt te staan
‘Stommeling,’’ schreeuwt Sjaak nog eens. Als hij bij de boom komt, bungelt de man geknakt voor zijn ogen. Hij is te laat. Sjaak schreeuwt het uit: Nee, nee, nee.’ Hij zakt op zijn knieën en huilt erbarmelijk. Met zijn tranen vloeit zijn laatste gevoel de aarde in.
Iemand pakt hem bij zijn schouders en wil hem wegtrekken. Hij rukt zich los en rent de nacht in totdat de duisternis van het donkere bos ineens plaats maakt voor een zee van geurige bloemen, die zich koesteren in het licht van de klimmende zon.
‘Vreselijk is dat hè, Sjaak.’ zegt iemand achter hem.
Sjaak kijkt om. Daar kijkt hij recht in het gezicht van Cindy.
‘Het lost ook niets op.’ zegt ze. ‘Uiteindelijk moet hij toch leren zijn problemen onder ogen te zien.’ Ze kijkt bedroefd als ze haar rechterarm strekt en de hand langzaam opent. ‘Kijk Sjaak.’
Boven haar geopende hand ziet Sjaak een man op een bankje langs een rivier. De man zit met zijn hoofd in zijn handen en staart in het water. De lucht is grijs en zwaar van de sneeuw. De man loopt naar het water. Vlak voor de kant deinst hij weer terug, loopt achteruit naar zijn bankje en schreeuwt. Een rauwe kreet van een gewond mens.
‘Papa?’ murmelt Sjaak.
’Ja, Sjaak. Zorg dat je op tijd bent,’ zegt Cindy. ‘


Schreeuwend om zijn papa wordt Sjaak wakker. Tranen rollen hem over de wangen.

Maja stormt met twee treden gelijk de trap op, haalt even diep adem en probeert zo rustig mogelijk de kamer in te lopen. ‘Wat is er vent?’ vraagt ze. Ze tilt hem uit zijn bed. en houdt Sjaak dicht tegen zich aan.

Sjaak slaat zijn armpjes om haar nek, terwijl hij om zijn papa blijft roepen.

‘Papa is werken, kereltje. Hij komt vanavond weer thuis.’

Wat Maja ook zegt, Sjaak blijft ontroostbaar. Ten einde raad stopt Maja hem in de wandelwagen en gaat een eindje lopen. Onderweg wijst Sjaak met zijn handje in de richting waar hij heen wil, onderwijl roepend om zijn papa. Maar als hij naar het lange wandelpad langs de rivier wijst, vindt Maja het welletjes en gaat naar huis.

De naargeestigheid van kale en natte bomen kruipt onder Don’s huid en voedt zijn donkere gedachten. Terug naar huis wil hij niet. Bang voor het afscheid en bang voor zijn eigen gedachten loopt hij het park weer uit. Zijn voeten brengen hem naar het station en gaat op zo’n harde houten bank zitten.
Treinen komen en gaan. ‘Hoe zou het zijn,’ denkt hij. ‘Zouden Maja en Sjaak blij zijn?’ Don staat op, loopt naar de rand van het perron en staart naar de rails in de diepte. Aan de andere kant van het spoor staan mensen te wachten. Ze kijken naar hem. Al ziet hij hen niet, hun ogen branden in zijn geest. Don kijkt op. Mensen praten met elkaar, maken plezier of eten een snack. Onder hen ontwaart Don een man en een vrouw met hun kind tussen hen in. Ze staan ver van de rand van het perron en houden hun zoontje goed vast. Zij zijn het die Don aankijken.

Bij het zien van dat kleine geluk doet Don een paar stappen terug. Weg van de rails. De ouders zeggen iets tegen hun zoon die hem strak blijft aankijken. Don hoort niets van het gesprek, maar voelt dat het over hem gaat. Zo onverschillig mogelijk slentert hij het perron over. Eigenlijk zou hij zich wel onzichtbaar willen maken. Er in alle stilte en eenzaamheid een punt achter willen zetten.

Treinen komen aan en vertrekken. Mensen komen en gaan. De duisternis verjaagt mensen en treinen. Don blijft eenzaam achter. Hij zoekt een beschut plekje en valt ondanks de bijtend koude tocht in het station in slaap.

Het is nog donker als hij verkleumd wakker wordt. Zijn spieren zijn stijf en zijn gewrichten protesteren bij iedere beweging. ‘Ik moet hier weg,’ denkt hij. Stram staat hij op en loopt moeizaam door de stationshal naar buiten. Bewegingen van enkele dekens verraden donkere blikken die hem volgen tot hij uit het zicht is verdwenen. Buiten gaat de wind direct in de aanval en snijdt hem venijnig in zijn gezicht. Even denkt hij aan thuis aan zijn warme plekje bij Maja in bed. ‘Zou ze al in bed liggen of wacht ze nog steeds tot hij thuiskomt?’ Hij schrikt van zijn eigen gedachten. ‘Aaaai. Nee, dat mag ik niet doen.’ Met die schreeuw en wild zwaaiend met zijn armen om de kou te verdrijven bant hij ze uit zijn hoofd. De kou heeft zich echter diep in zijn botten genesteld en laat zich niet verjagen. ‘Ik kan beter ’s nachts blijven lopen en overdag slapen,’ denkt hij. ‘Ach het maakt eigenlijk ook niets meer uit. Straks krijg ik mijn rust.’

Maja is de wanhoop nabij. Als Don niet thuis komt, groeien haar zorgen. Ze krijgt geen hap van het avondeten door haar keel en ook Sjaak laat zijn eten staan, terwijl hij aldoor om papa roept. Maja legt hem op bed, maar Sjaak kan de slaap niet vatten.

‘Nu moet je gaan slapen, Sjaak,’ zegt Maja steeds weer. ‘Anders wordt papa heel erg verdrietig.’ Sjaak stoort zich er niet aan en blijft aldoor roepen om zijn papa.

Ten einde raad zegt Maja: ‘Als papa morgen nog niet thuis is, vragen we de politie om te helpen zoeken. Goed?’

Het enige antwoord van Sjaak is: ‘jaaa, papa zoeken’.

Die nacht vraagt hij tussen de hazenslaapjes door luidkeels om papa.
Maja wordt er tureluurs van en besluit op een stoel bij Sjaak te blijven zitten en zijn ritme van hazenslaapjes over te nemen. Tegen de ochtend pakt ze Sjaak uit bed en maakt het ontbijt klaar. Ze maakt zichzelf en Sjaak wijs dat het goed is om wat te eten. Allebei malen ze werktuigelijk een stukje brood weg. Dat pakt Maja die kleine Sjaak goed in en zet hem in de wandelwagen.

‘Papa zoeken?’ vraagt Sjaak.

‘Ja manneke. We gaan papa zoeken.’

Even later lopen ze over de bevroren trottoirs en lopen steeds weer andere straten door rondom hun huis. Eerst is het donker en stil op straat. Met het licht komt ook het geluid van de stad. Steeds meer mensen haasten zich naar hun werk. De drukte benauwd Maja. Daarom slaat ze het voetpad langs de Dommel in. Zelfs daar lopen en fietsen al mensen.

‘Zelf lopen,’ zegt Sjaak een paar keer.

‘Heel goed, Sjaak. Daar wordt je ook lekker warm van,’ zegt Maja. Ze maakt zijn veiligheidsgordel los en tilt hem uit de wagen. ‘Bij mij in de buurt en op het pad blijven’ drukt ze hem op het hart.

Langs het pad probeert een enkele zwerver dicht tegen een muurtje aan liggend de dag nog te verjagen door diep onder zijn dunne dekentje te kruipen. Sjaak kijkt er niet eens naar. Parmantig loopt hij over het pad. Steeds verder voor Maja uit. Zo snel als zijn beentjes hem kunnen dragen. Ook Maja schakelt een tandje bij om hem bij te houden.

‘Papa,’ roept Sjaak. Hij probeert nog harder te lopen. Hij valt, staat zonder mankeren weer op en rent verder. Recht op een man af die een eind verder ineengedoken op een bankje zit te knikkebollen.

‘Dat is papa niet, Sjaak. Kom terug,’ roept Maja. Ze laat de kinderwagen op het pad staan en rent Sjaak achterna. Ze ziet dat Sjaak zich op de zwerver stort.

‘Papa, papa,’ Blijft Sjaak roepen.

Dan komt de man overeind. Tot haar schrik ziet Maja dat die man haar Sjaak in zijn armen sluit. ‘Mijn kleine Sjaak,’ snikt de man en drukt het jongetje stevig tegen zich aan. Sjaak laat het allemaal gebeuren.

Pas dan gaan Maja’s ogen open. Don? roept ze. Don? op haar beurt vliegt ze op die man af. ‘Don, wat doe jij hier?’

‘Maja, mijn lief. Ik heb het zo koud.’

Maja helpt Don van het muurtje af. Zij voelt zijn kou door haar eigen winterjas heen. ‘Wat doe je hier dan ook. Kom gauw mee naar huis.’

‘Neenee, je begrijpt het niet. Van binnen.’

‘Wat bedoel je met: van binnen?’

‘In mijn hoofd, Maja. Zo koud en donker. Ik weet niet hoe het verder moet.’

‘Was je van plan om…?’ Maja kijkt naar het water.

Don knikt alleen.

‘Papa spelen,’ roept Sjaak en begint zich los te wurmen. Zijn kleine handjes trekken aan Don’s vingers om hem mee te krijgen.

Dan staat Don moeizaam op en slaat zijn arm om Maja’s schouders. ‘Ik ben zo blij dat jullie er zijn.’