sjaaks ontmoeting

Sjaaks ontmoeting

Download dit verhaal:

File Description
epub SdK 13 Sjaaks ontmoeting
pdf SdK 13 Sjaaks ontmoeting

Voorwoord


Als er aan de deur geklopt wordt, doe je dan altijd open?

Ja, zullen velen zeggen.

Maar wat betekent dat? En wie haal je binnen de veilige muren van je huis?

Zeker tegenwoordig is het bepaald niet raadzaam om zonder meer gehoor te geven aan die klop op je deur. De verhalen over misbruik van iemands gastvrijheid met soms fatale gevolgen zijn immers aan de orde van de dag. Ondanks de historische woorden van onze premier over zijn streven naar een participatiemaatschappij.

Maar als die voorzichtigheid leidt tot een fase van ontbinding van onze samenleving is er iets wezenlijk mis met onze ontwikkeling. Wanneer en waar en hoe die ontbindingsfactoren zijn ontstaan is minder interessant dan de vraag hoe we dit proces van desintegratie kunnen omkeren.

Helaas kan ik het antwoord daarop ook niet geven. Wel is het duidelijk dat de verbetering net als altijd komt als een kleine kiem waaruit iets moois kan opbloeien, dat op zijn beurt weer vrucht zal gaan dragen.

Hopelijk is onze kleine Sjaak samen met zijn ouders Don en Maja en zijn zus Meike zo’n kiem.

In ‘Sjaaks ontmoeting’ wordt een aantal malen gerefereerd aan eerdere gebeurtenissen in het leven van Sjaak. Deze zijn terug te lezen in de afleveringen, die eerder zijn verschenen:

SdK 1 In Goede handen, 13 december 2011
SdK 2 Sjaak’s Nieuwe kans, 3 april 2012
SdK 3 Een nieuw leven, 24 december 2012
SdK 4 Sjaak de Kolck, 26 maart 2013
SdK 5 Sjaak’s moeizame start, 20 december 2013
SdK 6 Sjaak’s prille les, 18 april 2014
SdK 7 Sjaak’s kracht, 16 december 2014
SdK 8 De Verleiding, 25 maart 2015
SdK 9 Het Kerstdiner, 21 december 2015
SdK 10 Bij de les blijven, 25 maart 2016
SdK 11 Meike, 25 december 2016
SdK 12 Cindy, 16 april 2017

Ruud Macco
25 december 2017

Sjaaks ontmoeting


Als Sjaak uit school komt rennen, ligt Cindy achter de voordeur al een tijd op hem te wachten. Vandaag springt ze hem zelfs met een zwiepende staart op de drempel tegemoet. Sinds Meike er is, mag hij alleen naar huis komen en heeft hij zelfs een eigen sleutel van de voordeur.

‘Mama, Cindy moet nodig. Ik laat haar wel even alleen uit,’ roept Sjaak. Hij grijpt Cindy’s riem, stopt een bal in zijn jaszak en vertrekt weer met Cindy in zijn kielzog.’

‘Wacht even … ,’ begint Maja. Een knal van de voordeur onderbreekt haar. Het geluid drukt als het ware haar ogen even dicht en lijkt haar schouders op te trekken. Meike lacht om het malle gezicht van haar moeder. ‘Weg,’ ontsnapt in een zucht aan haar keel. ‘Met Cindy samen is die broer van jou net een wervelwind. Nu moeten wij hem zo meteen weer gaan zoeken,’ zegt ze en knijpt Meike zachtjes in haar wang. Nou ja, denkt ze. Hij is met Cindy. Ze kijkt op haar horloge. Drie uur …

Cindy trekt Sjaak in een hoog tempo naar haar voorkeursplek bij hoge nood. Sjaak rent achter haar aan. De commando’s die Cindy op de puppy-cursus toch al geleerd moet hebben, laten haar onberoerd. Het is alsof ze het ‘hier’ en ‘naast’ uit haar woordenlijst heeft geschrapt. Maar als ze heeft geplast gaat ze voor Sjaak zitten en kijkt hem strak aan. Sjaak moet erom lachen en geeft haar een hondensnoepje. Zonder haast nu lopen ze naast elkaar verder naar een speelveldje in het park. Daar maakt hij Cindy los en gooit de bal zo hard hij kan. Cindy heeft de bal echter zo te pakken en legt die weer voor zijn voeten in het gras, terwijl ze hem kwispelend aankijkt.

‘Je bent veel te snel,’ zegt hij tegen Cindy. ‘Zo hard kan ik niet gooien.’

Dan verzint hij een list. Hij doet net alsof hij de bal weer over Cindy heen wil gooien. Cindy bedenkt zich geen seconde en rent alvast in de werprichting. Maar Sjaak draait zich bliksemsnel om en gooit de andere kant op. De bal belandt in de struiken. Als Cindy Sjaak’s truc door heeft, struikelt ze bijna over haar eigen poten om van richting te veranderen. Zonder af te remmen duikt ze achter de bal aan de struiken in.

Terwijl Sjaak lachend op Cindy staat te wachten, hoort hij iemand van achter de struiken praten.

‘Hoi beesie,’ zegt een mannenstem.

Direct daarna hoort Sjaak het geluid van het klakken van een tong. ‘Cìììììndy’ roept hij. Als Cindy niet reageert, loopt hij om de struiken heen. Daar staat zij strak voor een man op een bankje. Zijn hand lokt Cindy naar hem toe.

‘Cindy? Mooie naam, beesie, zegt de man.

Alsof Cindy op het horen van haar naam wachtte, laat ze zich door hem aaien. Sjaak blijft op een afstand staan en roept opnieuw: ‘Cindy, hier!’

‘Mooie naam. Cindy!’ zegt de man nogmaals. ‘En een lieve hond. Is ze van jou?’

‘Ja, ze is mijn hond,’ zegt Sjaak. Sjaak loopt langzaam naar de man toe.

De rafels aan zijn vormeloze broek verraden dat die betere tijden heeft gekend. Een colbertje over een trui moet hem beschermen tegen de decemberkou. Sjaak gaat naast Cindy staan. Hij ziet de ruwe en vuile huid op de handen van die man. Zijn blote voeten steken in een paar afgetrapte schoenen. Zijn enkels zien paars. In een boodschappenwagentje naast de bank ligt een gevulde plastic tas.

‘Waarom zit u hier?’ vraagt Sjaak.

‘Een goede vraag, knul. Wist ik het maar. Hoe heet je?’

‘Sjaak. En u?’

‘Noem mij maar Erik,’ zegt de man. ‘Net als de Noorman.’

‘Wie is de Noorman?’

‘Ach ja, daar ben je veel te jong voor.’

‘Zijn dat uw boodschappen?’ wil Sjaak weten. Hij wijst op de tas in de boodschappenwagen.

‘Zoiets,’

‘Gaat u die naar huis brengen?’

De ogen van de man worden vochtig. ‘Thuis?’ Die vraag waait langs Sjaak heen alsof het een vraag is aan iedereen die hem horen wil.

Sjaak kijkt om, maar ziet niemand. ‘Heeft u het niet koud? Heeft u geen jas?’
De man trekt een grimas die in de verte op een glimlach lijkt. Alleen zijn ogen vallen uit hun rol.

Op dat moment loopt Maja met Meike in de wandelwagen het park in. Als ze Sjaak en Cindy bij de zwerver op het bankje ziet staan, versnelt ze haar pas. Bang voor het onbekende gevaar roept ze Sjaak bij haar te komen. Haastig neemt hij afscheid van de man en loopt gevolgd door Cindy op een drafje naar zijn moeder. Daar draait hij zich nog even om en steekt zijn hand op. Het aarzelende zwaaien van de man in antwoord op zijn afscheid brandt Sjaak op zijn netvlies. Sjaak lijnt Cindy weer aan en loopt naast zijn moeder mee terug naar huis.

‘Je moet voorzichtig zijn met vreemden,’ zegt Maja tegen Sjaak.
Dat Sjaak niets terug zegt, geeft Maja het gevoel dat haar zoon ergens over piekert. Ze probeert hem te bewegen te vertellen wat die man op het bankje heeft gezegd. Ze geeft het zuchtend op als Sjaak blijft zwijgen.

‘Mama, die meneer weet niet wat thuis is,’ zegt Sjaak als ze bijna thuis zijn.

‘Is dat zo?’ vraagt Maja. ‘Misschien weet hij wel wat thuis is maar heeft hij dat niet meer.’

‘Dat is niet leuk voor hem, hè mama.’

‘Nee kerel, dat is voor niemand leuk.’ Maja aait Sjaak over zijn bol en trekt hem even tegen zich aan.

Een dag later rennen Sjaak en Cindy opnieuw naar het bankje in het park, ondanks de boodschap van zijn moeder om dat niet te doen. Onderweg stoppen ze alleen even voor de hoge nood van Cindy. Erik is er ook en hij zit in dezelfde haveloze kleren.

‘Dag Sjaak. Fijn dat je langs komt.’

‘Dag Erik,’ zegt Sjaak. Hij kijkt naar de kleren van de man. Ze zijn dezelfde als de dag ervoor. ’Bent u niet thuis geweest?’

Erik schudt zijn hoofd. ‘Nee jongen. Niet meer.’

‘Waarom niet?’’ wil Sjaak weten.

‘Dat is een lang en moeilijk verhaal, Sjaak. Kom er even bij zitten dan zal ik er wat over vertellen.’

‘Mijn laatste echte thuis was bij mijn moeder. Zij is de liefste vrouw die ik ooit ben tegengekomen.’ De man pakt een zakdoek en snuit luidruchtig zijn neus.’

‘Had u geen vader?’ vraagt Sjaak.

‘Niet dat ik me kan herinneren, knul. Niet dat ik me kan herinneren. Wel een moeder en wat voor een! Maar dat wist ik toen nog niet. Ik wilde de wijde wereld in. Andere landen zien met hun grote steden. Op een dag zei ik haar dat ik wilde gaan varen. Ze heeft niet gehuild. Tenminste niet waar ik bij was. Ze liet me leren wat ik voor mijn droom nodig had. Na de zeevaartschool ging ik varen op een groot vrachtschip.’

‘En toen was die boot zeker jouw thuis geworden?’ vraagt Sjaak.
Erik knikt. ‘Ja toen was die boot mijn thuis. Tot ik in een ver land een meisje tegenkwam, waarmee ik trouwde. De eerste maanden daarna waren we gelukkig. Alleen de vrijheid, die miste ik. We hebben er over gepraat, mijn vrouw Ratana en ik. We spraken af dat ik nog één reis zou maken.’ Hier valt Erik even stil en staart in de verte alsof hij dat gesprek opnieuw beleefde.
‘Daarna zouden we samen ergens in de wereld een nieuw thuis gaan zoeken. Ik kon niet wennen aan het leven in Thailand en wilde veel liever terug naar Europa. Een half jaar later kwam ik terug van een reis langs een aantal grote havens in de wereld. Ze wachtte me op bij de kade. Maar ik voelde geen warmte, geen blijdschap meer om daar thuis te zijn. Ze is nog met me mee gekomen naar Nederland, waar ik van mijn verdiende geld een huis voor ons samen kocht.’

‘Toen was dat jouw thuis, toch?’ onderbreekt Sjaak het verhaal van Erik.

‘Ja, Sjaak. Mijn thuis wel, maar niet dat van mijn vrouw. Ik had werk gevonden bij een bedrijf in Rotterdam. Ik stond vroeg op en was laat thuis. We spraken elkaar eigenlijk alleen in de weekends. Ik had het eerder moeten zien, dat zij hier niet gelukkig was.’

‘Moest zij huilen? Wilde zij terug naar haar eigen thuis?’ vraagt Sjaak.

‘Ik denk het, Sjaak. Maar ze ging niet alléén. Op een dag paste mijn sleutel niet meer op het slot van onze voordeur. Dus ik belde aan. Een vreemde kerel deed de deur open en hield mij tegen. Hij wilde de deur voor mijn neus dichtdrukken, maar ik was sterker dan hij. In de woonkamer keek Ratana mij met grote ogen aan. Die man bleek een vriend van haar, waarmee ze terug wilde gaan naar Thailand.’

‘En toen?’

‘Ik heb het domst gedaan wat ik ooit had kunnen doen. Ik heb die vent zo’n harde klap gegeven, dat hij tegen de rand van de tafel viel en niet meer opstond.’

‘Was, was hij dood?’

Erik knikt. ‘Ja, jongen. Daarvoor heb ik in de gevangenis gezeten.’
Sjaak kijkt hem met grote ogen aan. ‘In de gevangenis?’ vraagt hij en schuift wat heen en weer op het bankje.

‘En het heeft me alles gekost wat ik had. Toen ik deze zomer uit de gevangenis kwam wilde mijn baas niets meer van me weten. Ratana had het huis verkocht en het geld meegenomen.’

‘Naar Thailand?’

‘Dat denk wel, maar ik weet niet waar ze heen is gegaan. En sinds die tijd heb ik geen thuis meer,’ besluit Erik zijn verhaal.

Als Sjaak zijn moeder hoort roepen springt hij bijna van het bankje af. ‘Ik mocht eigenlijk niet met je praten,’ zei Sjaak verontschuldigend voordat hij met Cindy een spurt inzette naar zijn moeder.

‘Wat heb ik je nou gevraagd?’ foetert Maja. ‘Ik wil niet dat je met vreemde mensen praat. Je weet nooit of je ze kunt geloven en wat ze van plan zijn.’

‘Maar mam, moet je luisteren. Hij heet Erik en heeft helemaal geen thuis meer. Hij heeft in de gevangenis gezeten en … ‘

‘Zie je nou wel,’ zegt Maja. ‘Hij heeft in de gevangenis gezeten. Hij is dus een boef.’

‘Nee hoor mama. Hij is geen boef. Hij kon er helemaal niets aan doen.’

‘Heeft hij je dat verteld?’

Sjaak vertelt zijn moeder wat hij nog van het verhaal van Erik kan herinneren. Tenslotte zegt Sjaak: ‘Papa had toch ook een keer geen thuis?’

Die woorden brengen Maja weer terug in de tijd van het faillissement van Don’s markthandel en diens radeloosheid. Hoe ze hebben gezocht en hem in totale ontreddering hebben teruggevonden en weer thuis brachten. En dat een oude vriend hen er weer bovenop had geholpen met een baan voor Don bij Clofunc. Tevergeefs wil ze haar gedachten op dat punt stoppen. Maar haar eigen momenten van zwakte daarna omlijsten de problemen die Erik in zijn bestaan is tegengekomen.

Sjaak kijkt zijn moeder aan terwijl ze Meike uit de wagen pakt en met haar tegen zich aangedrukt de kamer in loopt.

‘Wat is er mam,’ vraagt Sjaak. Hij loopt achter haar aan en kijkt met grote ogen naar haar omhoog. De traan die langs haar wang loopt laat hem een kus op haar hand drukken. Het mengt een lach van het geluk van nu door de droevige gedachten van toen.

‘Misschien heeft hij wel hulp nodig,’ zegt ze tenslotte meer tegen zichzelf dan tegen Sjaak.

Een dag later rennen Sjaak en Cindy opnieuw naar het bankje in het park. Maar vanuit de verte haalt de leegte van het bankje naar hem uit.

‘Erik is er niet,’ zegt hij tegen Cindy. Besluiteloos kijkt hij rond naar de andere bankjes. Cindy loopt heen en weer voor het bankje. Ze laat een kort geblaf horen, loopt een keer om Sjaak heen om vervolgens weg te lopen, om te kijken en weer door te lopen.

‘Wil je dat ik meega?’ vraagt Sjaak.

Als antwoord blaft Cindy kort, zwaait met haar staart en loopt snuffelend weg met Sjaak in haar kielzog. Maar bij de uitgang van het park roept Sjaak haar terug en sjokken ze naast elkaar naar huis. Eenmaal binnen gooit hij zijn jas op de grond en loopt regelrecht naar zijn moeder in de woonkamer en klimt naast haar op de bank. Cindy legt haar kop op haar schoot en kijkt strak naar haar gezicht.

‘Wat is er Sjaak?’ vraagt Maja.

‘Erik was er niet.’ zegt Sjaak. ‘Hij is het park uitgelopen.’

‘Hoe weet je dat? Heb je dat gezien?’

‘Nee, maar Cindy rook zijn spoor. En dat liep recht naar de straat.’

Maja strijkt Sjaak over zijn haar en drukt hem tegen zich aan. ‘Weet je, Sjaak. Misschien wil Erik wel alleen zijn.’

‘Waarom?’ wil Sjaak weten.

‘Dat willen sommige mensen nou eenmaal,’ zegt Maja.

Alsof Sjaak de lichte aarzeling in haar stem hoort, zegt hij: ’Dat denk ik niet mama. Erik wil helemaal niet alleen zijn.’

Maja kijkt haar zoon aan, maar zegt niets.

‘Papa wilde dat toch ook niet?’ dringt Sjaak aan.

‘Nee, kerel. Papa was toen alleen heel erg verdrietig.’

‘Erik ook. Misschien,’ zegt Sjaak.

De dag voor Kerst lopen Don en Sjaak door het centrum van Eindhoven. Mensen met gevulde tassen haasten zich van de ene winkel naar de andere. Kerstmannen bij diverse winkels proberen mensen naar binnen te lokken.

‘Johooo, johoo. Delen maakt het kerstfeest zalig. Verdrijf kou en eenzaamheid en geef een kleinigheid.’ het geluid kwam vanachter een witte golvende baard onder een rode muts vandaan. Een bel begeleidt de uitroep schel.

‘Nou vooruit dan,’ hoort hij zijn vader lachend zeggen, pakt wat munten uit zijn zak en loopt naar de grote pot die aan drie bij elkaar gebonden staken hangt.

Intussen trokken de paarse enkels in de afgetrapte schoenen van de kerstman Sjaaks aandacht. Van diens enkels glijdt Sjaaks blik naar het gezicht van de man. Diens ogen liggen diep achter pluizig witte wenkbrauwen. Sjaak staart de kerstman aan op een manier die volwassen mensen verlegen zou kunnen maken. Zo niet deze kerstman. Hij beantwoordt Sjaaks blik en vraagt zachtjes: ‘Sjaak? Sjaak met Cindy?’

Don heeft zijn kleingeld in de pot gedaan.‘Kom Sjaak, dan gaan we verder,’ zegt hij en steekt zijn hand uit om Sjaak mee te krijgen.

‘Papa, dat is Erik,’ zegt Sjaak en vraagt in een adem door aan de Kerstman: ‘Heb je al een thuis?’

Don kijkt naar de kerstman, die zijn blik afwendt naar de geldpot, waarop het embleem van het Leger des Heils prijkt.

‘Zoiets,’ zegt Erik. ‘Nog één nacht.’

‘En dan?’ vraagt Don.

‘Niks.’ is het korte antwoord van Erik de kerstman.

‘Waar slaap je vannacht?’

‘’t Eindje,’ mompelt Erik onder zijn baard. Zijn blik glijdt naar het trottoir.

‘Heb je het daar naar je zin?’ vraagt Don.

‘Ach, het is er droog en warm. En meestal is er wel iets te eten.’

Don aarzelt een moment alsof hij niet weet wat verder te zeggen. ‘Zo te horen zijn mijn muntjes deze kerst niet genoeg om kou en eenzaamheid te verdrijven,’ zegt hij tenslotte. ‘Gun me de kans om meer te doen.’
Erik kijkt hem aan en knikt traag.

‘Zou je morgen onze gast aan tafel willen zijn?’

Eriks ogen lichten op. ‘Maar … ‘ begint hij. Zijn ogen zinken weer weg in de duisternis achter hun kassen. ‘Maar hoe dan?’ Zijn handen zwaaien langs zijn lichaam naar beneden.

Nieuwsgierige blikken lopen traag voorbij. Het drietal schenkt er geen aandacht aan. Hun wereld lijkt te groeien totdat alleen zij er voor elkaar nog toe doen.

‘Elf uur morgenochtend,’ zegt Don. ‘Ik wacht op je voor de deur van ’t Eindje.’

Op eerste kerstdag komt Don met Erik binnen. Buiten is het koud en er staat een gure wind. Ook dit jaar drukt de herfst zijn stempel op het winterweer. Erik is niet in staat om zijn spieren tot de orde te roepen en loopt met zijn armen over elkaar voor Don uit de kamer in. Sjaak en Cindy begroeten hem uitbundig. Cindy vergeet haar goede manieren en springt tegen Erik omhoog. Sjaak roept laag te blijven, maar ze blijft om Erik heen dartelen. Aarzelend steekt Erik zijn hand naar haar uit en zijn gezicht licht op als Cindy hem beloont met een natte tong.

Maja zet dampende koffie op tafel. Erik aanvaardt de hem gewezen stoel, klopt zijn broek af, prevelt een nauwelijks verstaanbare verontschuldiging en gaat zitten. Als Maja de koffie met een stuk kerstkrans heeft rondgedeeld komt het gesprek via het weer, de geur van de koffie en de eerste kennismakingen met Cindy, Sjaak en Maja op de levensloop van Erik, zoals hij bij de eerste ontmoeting al aan Sjaak had verteld.

‘Het moeilijkst vind ik het nog om te moeten gaan met de spijt over alle verkeerde beslissingen in mijn leven. Mijn keuze voor het zwervende bestaan van het zeemansleven en mijn keuze voor de vrouw die niet bij mij paste,’ zegt Erik. ‘En dat ik die vriend van haar heb doodgeslagen … .’

Even wordt het stil aan tafel. Don en Maja staren naar hun lege kopje alsof daaruit de parallellen met hun eigen levensverhaal weer omhoog komen. Het duurt zo lang, dat Erik onrustig op zijn stoel schuifelt en vraagt of hij misschien beter weer kan opstappen. Daarmee lijken Don en Maja weer in het heden terug te keren. Maja wisselt snel een blik met Don, staat op en schenkt nog een keer koffie in. Don vraagt Erik toch vooral te blijven zitten en naar hùn verhaal te luisteren.

En Don vertelt over zijn sokkenhandel, die van een markthandel uitgroeide tot een imperium om vervolgens weer te krimpen tot een marktkraam en tenslotte te eindigen in een faillissement. Over zijn nachtelijke zwerftocht, waaruit Sjaak en Maja hem tenslotte wisten terug te halen. Over zijn redding bij Clofunc, de verwijdering tussen Maja en hem door zijn escapades in Litouwen en over de start en groei van KSC, zijn bedrijf in Kolcks Shielding Clothes.
‘Eerlijkheid gebiedt me te zeggen,’ begint Maja, ‘dat ook ik mijn zwakke momenten heb gehad. Don was op reis was voor Clofunc. En weet je … Dons baas Paul kwam enne … .’

Don legt zijn hand op Maja’s arm en zegt zachtjes: ‘Dat hoeft niet, Maja.’
Maja zucht een keer diep als afleiding voor haar opkomende kleur. ‘Het lijkt wel een biecht,’ zegt ze. ‘Maar op de een of andere manier heeft Sjaak erger weten te voorkomen.’

Erik kijkt naar Sjaak. Die probeert weg te kruipen achter zijn lege limonadeglas.

‘En nu zit ik hier ook dankzij jou,’ zegt Erik.

‘En Cindy!’ brengt Sjaak hem in herinnering.

‘En daar kleeft ook al een bijzonder verhaal aan,’ zegt Don. ‘Maar dat hoor je nog wel eens.’

Terwijl het gesprek aan tafel verder kabbelt, staat Maja op om het kerstdiner voor te bereiden. Het gerommel in de keuken mist zijn uitwerking op Erik niet.

‘Het was erg gezellig. Bedankt voor de koffie,’ zegt Erik. ‘Ik moet maar weer eens verder.’ Hij schuift zijn stoel achteruit en was al opgestaan als Don hem niet had tegengehouden.

‘Als onze gast aan tafel, kunnen we je nog niet laten gaan. Tenzij je dringend iets anders hebt,’ zegt Don.

Daarop weet Erik zo gauw geen antwoord. In plaats daarvan vraagt hij om ergens mee te kunnen helpen.

‘Dat kan,’ zegt Maja. ‘Neem een bad en trek schone kleren aan. Don en jij hebben ongeveer dezelfde maat.’

Erik kijkt langs zijn kleren en vandaar naar Don.

‘Kom, ik zal je de badkamer wijzen en wat kleren voor je klaarleggen,’ zegt Don. Zijn blik glijdt langs Eriks trui en broek om er vervolgens aan toe te voegen: ‘Ik zal er een plastic zak bij leggen’.

Sjaak dreutelt al een tijdje rond de kerstboom als Erik schoon en geurig de kamer weer binnenkomt. Verlegen onder de kritische blik van Maja, die zij hem van alle kanten toewerpt, kijkt hij bijna smekend om hulp naar Don.

‘Je bent best een knappe kerel eigenlijk,’ zegt Maja tenslotte.

Don schraapt luidruchtig zijn keel en kijkt haar vanonder zijn wenkbrauwen aan.

‘In die kleren van Don,’ voegt ze er met een knipoog aan toe. Ze geeft Don een vluchtige kus en haar vingers raken even zijn wang. ‘De pakjes van de Kerstman liggen op ons te wachten, nietwaar Sjaak?’

Het zou een valse start geweest kunnen zijn, want het eerste pakje is al van de stapel in handen van Sjaak terecht gekomen.

‘E R I K,’ spelt Sjaak.

‘Goed zo, Sjaak,’ zegt Maja. ‘Nu plakken.’

Met enige moeite vat Sjaak de letters samen. ‘Voor jou, Erik’ zegt hij en steekt het pak naar Erik. Die weet niet hoe hij kijken moet en neemt het pak aan. Papier ritselt, een deksel valt van een doos, de doos belandt ook op de grond en er ritselt nog meer papier onder de geamuseerde blikken van Don en Maja. Sjaak staat er met zijn neus bovenop en helpt Erik met uitpakken. Tenslotte houdt Erik een geelkoperen kompas in zijn hand. Zijn vingers dirigeren de naald trillend op zijn eenzame plek onder het glas naar het noorden.

‘Wat mooi, dank jullie wel.’ Eriks stem is zacht.

Don doorbreekt de betovering, drukt Erik aan zijn borst en zegt: ‘Net als het kompas van je leven wijst het altijd dezelfde kant op om je te kunnen oriënteren.’

Erik geeft Maja een hand en zoent haar op beide wangen. ‘Dank je wel,’ prevelt hij nog eens.

‘Je hebt vast wel geleerd om daarmee om te gaan … ‘ zegt ze met een blik waarmee een boze moeder haar zoon tot de orde roept.

‘Voor mij,’ roept Sjaak als hij een pakje met zijn naam erop ontdekt.

Als de rust is weergekeerd gaat Maja verder met de voorbereidingen van het diner, speelt Sjaak met zijn nieuwe cadeaus en hebben Don en Erik even om te praten. Erik vertelt over zijn taken als maritiem officier op de grote vaart en wat hij allemaal heeft meegemaakt met zijn bemanning en welke ervaringen in havensteden wachtten op hun belevingen door gezonde jonge kerels. En over het verdriet van die meisjes in donkere straatjes en helverlichte bordelen. Ook de noodzaak om kritisch te zijn in het belang van je eigen gezondheid passeert de revue en bovenal de rol van de o zo noodzakelijke zelfbeheersing in dat leven krijgt aan de hand van diverse anekdotes de nodige aandacht.

Eriks voorraad verhalen is nog lang niet uitgeput als Maja hen aan tafel nodigt. Als iedereen zijn plaats achter een prachtig opgemaakt voorgerecht heeft ingenomen, schenkt Don de wijn in en vraagt na een kort gebed nog even geduld om het woord te kunnen voeren.

‘Erik,’ zo begint Don. ‘Gisteren heb ik je voor het eerst ontmoet. Vandaag lijkt het of ik je al jaren ken. Alleen vraag ik me nu af, waarom jij geen werk hebt. Misschien moet het ook zo zijn. Want wij hebben iemand nodig die een goede logistieke operatie kan opzetten. Alle werkmaatschappijen onder Kolcks Shielding Clothes groeien de pan uit en pionieren maar wat aan met de inhuur van vervoersmaatschappijen. Een goed plan om alle logistieke handelingen in een aparte werkmaatschappij in de holding onder te brengen is meer dan welkom. Wil jij daarvoor een plan maken, waar je in de uitvoering helemaal achter kunt staan?’

‘Dat meen je … meent ú niet,’ zegt Erik met trillende stem.

‘Als je lid wordt van ons management team, sta ik erop elkaar bij de voornaam te noemen,’ zegt Don. ‘Nou?’

‘Dank je, Don,’ zegt Erik. ‘Wie had dat kunnen denken, toen ik Cindy over haar kop aaide … .’