De Strijd van Arvid

Download dit verhaal:

File Description
epub De strijd van Arvid EB
pdf De strijd van Arvid

Voorwoord

Waar mensen zijn is strijd. Dat is niet alleen nu zo, het is nooit anders geweest. Wel neemt de heftigheid ervan toe naarmate er meer mensen bij betrokken zijn en de technologie betere en krachtiger wapens voortbrengt.
De krachtigste wapens in een strijd zijn echter de creativiteit en de intelligentie van de strijdende mens, die geleerd heeft rationeel te handelen en daarmee de urgentie die emotie nu eenmaal oproept weet te beteugelen.
Redenen voor een strijd lijken sinds mensenheugenis altijd ondergeschikt geweest te zijn aan het voeren van de strijd zelf. De overwinnaar denkt echter altijd zijn macht en vrijheid daarmee te hebben vergroot. Ook al wordt hij een gevangene van zijn eigen angsten om al wat hij heeft bemachtigd weer kwijt te raken aan anderen.

Het verhaal over Arvid gaat over het met weinig middelen verwijderen van een wrede macht en het herwinnen van vrijheid. Het speelt in een tijd, waarin de technologie voor de strijd nog beperkt was tot zwaarden en stenen en de macht zich genoodzaakt voelde in vrijwillige ballingschap te gaan achter de veilige muren van een burcht.

Tweede publicatie.

Ruud Macco
15 mei 2019

De strijd van Arvid

Die dinsdag in september staat Arvid om vijf uur op. De eerste boodschappers van de dageraad zijn in het oosten net zichtbaar als Arvid huiverend het koude water uit de ketel over zijn handen giet en zijn gezicht ermee dept. Pure angst voor de reactie van Heer Arran heeft zijn nachtrust verdreven. Hoe uitstel van zijn betalingsplicht te moeten vragen, weet hij ondanks al zijn gepieker nog altijd niet. Wekenlang werden zijn gedachten beheerst door de vraag waar hij genoeg geld voor de pacht vandaan zou kunnen halen. Slaapgebrek sloopte zijn goede humeur. Van Arvids aanvankelijke optimisme om een oplossing te vinden is niets meer over. Ja, de prijzen voor groenten gingen door de slechte oogsten weliswaar omhoog, maar de aanhoudende regen zorgde er voor dat Arvid weinig tot niets te verkopen had. Bovendien kon menigeen zich geen verse groenten meer permitteren. Tot overmaat van ramp waren geen van zijn vrienden in staat hem te helpen.


Ten einde raad was hij als een bedelaar bij hen langs gegaan. De meesten lieten hem echter op zijn bemodderde klompen en met de pet in de hand buiten staan, terwijl ze hem meewarig aankeken.

‘Ik zou je graag helpen Arvid. Als ik het kon,’ zei een enkeling. Maar de meesten hadden hem slechts met holle ogen aangekeken voor ze de deur weer sloten.

Gisteren liet Bendert hem wel binnen. Arvids hoop vlamde even op tot Bendert hem zijn lege schuur en het verregende land liet zien. Bij de eerste stappen zogen zijn klompen zich al vast in de modder. Het eens zo rijke land was veranderd in een moeras, een poel van ellende. Voor Arvid voelde het alsof dat al zijn hoop en strijdlust verzwolg. Moedeloos liet hij zijn hoofd hangen.

‘Laat me weten, hoe het gaat dinsdag,’ had Bendert hem nog gevraagd. ‘Heer Arran zal toch wel weten, dat de oogsten slecht zijn dit jaar. Misschien begrijpt hij wel, dat we zijn schattingen nu niet kunnen opbrengen.’

‘Je kent hem, hij heeft nooit genoeg,’ had Arvid slechts gezegd.

Met een ferme handdruk als enige troost had Bendert afscheid van hem genomen. Hij hield Arvids hand langer vast dan hij normaal deed. ‘Zelf heb ik nog wat tijd,’ zei hij. ‘Maar ik moet hem ook om uitstel vragen.’ Verwachtte hij Arvid hiermee een hard onder de riem te steken of hoopte hij op een teken van welwillendheid van hun leenheer? Arvids moed was hem echter in de klompen gezakt. Met hangend hoofd had hij zich naar huis gesleept.

Arvid werpt een blik op zijn slapende kinderen. Dan loopt hij naar zijn vrouw en geeft haar zachtjes een kus op het voorhoofd. Maar zijn Anna slaapt niet. Natuurlijk niet.

‘Moet je nu echt gaan?’ klinkt het jammerend onder de deken vandaan. ‘Kunnen we hier niet gewoon weggaan? Wat we hebben past met gemak op de kar.’

‘En dan?’ vraagt Arvid. Even blijft onbeweeglijk staan alsof hij speelt met die gedachte. Tenslotte is er niet eens meer genoeg te eten. Toch draait hij zich resoluut om en loopt met een lege maag de deur uit. De ochtendschemering laat het sompige land van zijn meest. duistere kant zien. Het heeft hem dit seizoen net genoeg gegeven om zijn vrouw en twee jonge kinderen de winter door te helpen. Als ze zomaar weggaan, zullen ze zelfs dat niet meer hebben. Je zo in het nauw gedreven voelen, dat je zelfs bereid bent om Heer Arran om uitstel te smeken, valt Arvid zwaar. Als er een andere oplossing was geweest dan had hij die wel duizendmaal liever. Heer Arran stond bekend als iemand zonder mededogen. Regels zijn regels en afspraak is afspraak is zijn devies. Dat hij die regels en afspraken eenzijdig heeft opgelegd aan zijn vazallen doet voor hem niet ter zake, als zij zich er maar aan onderwerpen. Bovendien hebben de meeste boeren in het laagland altijd kans gezien om hun pacht op tijd te betalen en hem in staat gesteld zich te omringen met allerlei snuisterijen en kunstvoorwerpen die het leven zo aangenaam maken. De beste producten van het land, die hij zich toe-eigende, voorzagen hem, zijn hofhouding en zijn legionairs van een overvloed aan voedsel. Voor het eerst moest Arvid om uitstel van betaling vragen.

De burcht van Heer Arran steekt donker en dreigend boven de steile rotswand omhoog. De eerste zonnestralen beroeren zijn torens, die daardoor als lompe knotsen in de handen van een reusachtige beul omhoog wijzen. Het laagland rondom die steile wanden lijkt nietig en kwetsbaar onder dat vertoon van macht.

Rillend volgt Arvid het smalle pad, dat zich door de bossen om de berg heen steil omhoog kronkelt. De vochtige ochtendkou doet pijn aan zijn longen. Het helling wedijvert met zijn angst om wie zijn hart het hardst kan laten slaan.

Kan ik toch niet beter naar mijn vrouw luisteren en gewoon teruggaan om met de noorderzon te vertrekken? klinkt het steeds luider in zijn hoofd. Als hij het antwoord op die vraag eens wist. Onzekerheid en angst reizen met hem mee. Desondanks stuwen zijn benen hem gestaag langs het pad verder omhoog. Met iedere keer dat Arvid stopt om op adem te komen, klinkt die ene vraag harder. Maar Arvid ziet geen andere uitweg.

‘Arvid verbergt zijn gezicht in zijn grote rode zakdoek. Hij weet, dat het zijn laatste kans is. Een dag later zouden Arran’s mannen hem hebben opgepakt. Waarschijnlijk nog voordat hij met zijn gezin goed en wel op pad had kunnen zijn. Alles beter dan te worden opgehaald om voor Heer Arran te verschijnen. Er zijn boeren geweest waarvan daarna nooit meer iets is vernomen en waarvan vrouw en kinderen zonder inkomsten van hun stee werden verdreven en zich gedwongen zagen een zwervend bestaan als bedelaars te leiden. Hij ziet zijn Anna en hun twee kleine meisjes zo al voor zich. ‘Dat nooit,’ denkt hij en hervat zijn voettocht naar boven.

Vanuit zijn burcht lijkt Heer Arran altijd alles te zien, wat er zich in het dal afspeelt. Arvid vermoedt al op zijn weg door het laagland gezien te zijn. Dus stopt hij keer op keer zijn twijfel weg en vinden zijn benen moeizaam de weg verder langs het steile pad omhoog.

Na de laatste bocht wacht hem de zwaar bewaakte poort van de burcht. Het valhek is omhoog getrokken maar aan weerszijden ervan staan mannen met hellebaarden en zwaarden. De eenzame figuur die de laatste bocht door strompelt tovert een grijns op hun gezichten, waarmee de kilte van hun donkere ogen een schril contrast vormt. Buiten adem stopt Arvid ruim buiten het bereik van hun wapens. Voorovergebogen met zijn handen op zijn knieën kjjkt hij hen vanonder zijn wenkbrauwen aan.

‘Je hebt een slechte dag uitgezocht boer,’ zegt die ene met de grootste helm op zijn hoofd. Heer Arran heeft last van een stevige verkoudheid. Je kunt hem dus maar beter goed nieuws brengen.’

‘Ik zie geen buidel aan je riem boer.’ voegt de ander er temend aan toe. ‘Zonder buidel wil Heer Arran je vast niet ontvangen. Ik zou die dus maar even gaan halen.’

Arvid veegt zijn gezicht af met de rode zakdoek, die inmiddels meer weg heeft van een natte dweil. Wankelend zet hij een stap terug en kijkt ze een voor een aan. ‘Ik wil heer Arran spreken,’ fluistert Arvid.

‘Hoor jij wat rinkelen?’ zegt de ene wachter tegen de andere. ‘Nee, jij?’ antwoordt die. ‘Boer je stelt onze Heer Arran teleur. En hij rekende nog wel zo op je,’ zegt hij, die de grootste helm draagt. Grijnzend kijken de beide wachters naar Arvid die hen niet eens durft aan te kijken. ‘Je moet het zelf weten boer. Je kunt niet zeggen dat we je niet hebben gewaarschuwd.’ De hellebaarden wijken uiteen om hem door te laten.

Arvid neemt zijn muts van zijn hoofd en loopt, vrezend voor Arran’s roemruchte driftbuien, schoorvoetend de burcht in. Een bediende houdt de deur van de audiëntiezaal voor hem open. Knipperend met zijn ogen tegen het zonlicht, dat door het raam recht tegenover hem valt, loopt hij verder tot aan de voet van het podium, waarop Heer Arran zetelt. De troon heeft een hoge rugleuning en brede armsteunen, die met bladgoud zijn afgewerkt. Het wapenschild boven het hoofd van Heer Arran toont een vuurspuwende draak met schubben als stekels rond zijn kop en een vuurrode opengesperde muil. het wapen flonkert angstwekkend. Daarboven heeft de zaal een groot rond venster, waardoor het weinige ochtendlicht de zaal in valt. De twee kaarsenhouders schuin achter de troon werpen hun licht om op Arvids gezicht en Heer Arran hem als een sinistere schaduw opwacht. Rechts van Heer Arran zit een iemand achter een tafel met zijn neus boven een lijvig boekwerk. Arvid voelt dat de man hem over de randen van zijn ronde brilletje monstert maar zijn blik is gefixeerd op het silhouet van heer Arran. Arvids handen vervormen zijn muts tot een vochtige kluwen wol, terwijl hij wacht tot Heer Arran het woord tot hem richt.

‘Arvid, is het niet?’

‘Ja Heer, dat is mijn naam.’

Meester Van Smaelen, wat is deze vazal mij schuldig?’ vraagt Heer Arran. Hij knikt kort met zijn hoofd naar Arvid.

‘De helft van zijn oogst met een minimum van 100 thalers, Heer,’ zegt meester van Smaelen met zijn neus in zijn kasboek. ‘Maar boer Arvid heeft zijn belastingaangifte nog niet ingevuld.’

‘Waarom niet, Arvid?’ vraagt Heer Arran.

‘Heer, het land is te nat geweest. De oogst is …’, verder komt Arvid niet.

‘Waarom hoor ik nou altijd zo’n klaagverhaal? Mijn land moet bewerkt worden door echte boeren, die zich niet door een regenbuitje laten ringeloren. Met domme boeren zoals jij, raak ik nog eens aan de bedelstaf. Wachters!’

Besluiteloos staat Arvid daar met gebogen hoofd en zijn pet in zijn knuisten geklemd. Doof van angst hoort hij die wachters niet komen. Ze zijn er ineens, pakken hem onder beide armen en tillen hem van de grond.

‘Laat Arvid uit. We nemen afscheid van hem,’ zegt Heer Arran, terwijl hij zich omdraait en zijn blik door het venster over zijn landerijen in het dal laat dwalen.

‘Nee Heer, alstublieft heb genade,’ smeekt hij. ‘Zodra ik kan, zal ik u met rente betalen.’

Niemand geeft de jammerende Arvid antwoord. Terwijl hij spartelend wordt weggevoerd roept hij nog: ‘Wat moet er van mijn vrouw en kinderen worden. Genade.’

De hardstenen wanden herhalen Arvids laatste woord tot het geluid langzaam sterft. De wachters slepen Arvid ruw door een smalle gang naar een massieve deur. Met een grote sleutel draait een van zijn kwelgeesten het slot open. Het knarst niet eens en de deur zwaait soepel open. Even gloort er bij Arvid de hoop dat hij vrij is om te gaan. Maar er is geen gang te zien net zo min als een trap. De wind dringt zich langs de hoge muren van de burcht met geweld door de opening naar binnen. Dan pas dringt het tot Arvid door welk lot hem beschoren is. Spartelend en schreeuwend om het onheil af te wenden krijgt hij een trap tegen zijn achterwerk en schiet hij door het gat naar buiten.

‘Dit is de snelste weg naar beneden. Goede reis, boer Arvid,’ hoort hij hen nog zeggen.

De wind suist langs zijn oren en trekt aan zijn buis. Net als vroeger ziet hij zijn moeder naar hem toe snellen om hem te troosten na te zijn gevallen. Hoor woorden klinken nog als een balsem op zijn wonden. Maar ook nu is ze te laat om te voorkomen dat hij zich bezeert. Takken knappen. Splinters dringen door zijn kleren en schaven zijn huid.

‘Ach manneke, ben je gevallen. Heb je je pijn gedaan?’ Hoort Arvid zijn moeder weer zeggen. ‘Sta maar gauw op en droog je tranen. Die knie gaat wel weer over. Kijk voortaan beter uit en til je voeten op als je loopt.’ Bemoedigend spoort ze hem door te gaan met zijn spel. Zijn moeder maakt plaats voor Anna en zijn kinderen. O, god, weest u alstublieft goed voor hen. Met die gedachte slaat de vergetelheid toe.

De mensen in het dal kijken omhoog als een langgerekte kreet het dal vult met Arvids doodsangst. Een van hen is Bendert. Hij ziet de ongelukkige uit de burcht naar beneden storten.

‘Oh god, nee,’ mompelt hij. ‘Dat moet Arvid zijn.’ Bendert aarzelt geen moment, spant zijn paard voor de wagen en laat de zweep knallen om het tot spoed te manen. Op zijn weg naar de rots waarop de burcht zich dreigend aftekent, komt hij nog langs het huis van Arvid. Anna staat voor het huis naar de burcht te staren. Bewegingloos, met ingehouden adem en beide handen voor de mond. Haar beide kinderen hangen jammerend aan haar rok. Haar normaal zo intens rode konen hebben hun kleur verloren. Bendert stopt.

‘Oh Bendert, Arvid is vanmorgen naar de burcht gegaan. Zou hij..’ Ze maakt haar zin niet af en kijkt Bendert hoopvol aan alsof ze van hem geruststellende woorden verwacht.

Zwijgend laat Bendert zijn blik naar de burcht dwalen. Al is het allen maar om Anna’s blik te ontwijken.

‘Jij denkt ook, dat het Arvid is, hè?’ fluistert ze. Als hun blikken elkaar kruizen knapt er iets bij Anna. Luid schreiend stort ze zich in de modder voor haar huis. De beide kinderen gillen om hun moeder en vliegen om haar nek. ‘Ik heb hem nog zo gezegd niet te gaan,’ snikt Anna. ‘Maar hij wilde persé proberen om uitstel te krijgen. Die kerel is niet te vertouwen. Wat doet hij ons toch aan?’

Hoog op zijn wagen ziet Bendert de wanhopige vrouw in de modder rollen van verdriet en machteloze woede. De kinderen jammeren almaar harder met haar mee nu zij zelf ontroostbaar is. Bendert vecht tegen zijn tranen bij het zien van hun verdriet.

‘Vrouw, maak, dat je hier weg komt,’ zegt hij onnodig ruw. ‘Als het Arvid is, die van de rots is gestort zullen Arrans soldaten snel hier zijn. Het is beter dat ze je niet vinden’

‘Waar moet ik heen?’ jammert ze.

‘Pak de kostbaarste spullen en vlucht naar mijn huis. Wacht daar tot ik terug ben.‘ Bendert richt zijn blik weer op de rots, waar hij Arvid heeft zien vallen en vuurt zijn paard alweer aan.

Aan de voet van de rots ligt Arvid stil op zijn rug. Gebroken takken tekenen zich in een waas af tegen de grijze lucht. Pijn sijpelt door zijn verdoving heen. Arvid sluit zijn ogen en zakt weg in donkere tunnel, waaruit zijn moeder komt aangerend om hem overeind te helpen. Het gaat wel, wil hij zeggen maar de woorden komen niet. Zij wijst naar een andere vrouw die met haar beide kinderen komt aanrennen. De herkenning van Anna verwarmt hem en geeft hem de energie om door te gaan. Het briesen van een paard dringt vaag tot hem door. En dan is er alleen nog die tunnel waaruit hij probeert te ontsnappen.

Bendert bindt zijn paard aan een boom aan de rand van het gebied, waarin hij Arvid had zien vallen en loopt het struikgewas in. Onderzoekend richt hij zijn blik op de bomen om hem heen. Gebroken takken wijzen hem waar Arvid is gevallen. Worstelend door het dichte struikgewas ziet hij een laars uit de struiken steken.

‘Arvid?’ roept Bendert. Als een bezetene begint hij de takken opzij te duwen.

‘Bendert?’ Arvid’s stem klinkt zacht.

‘Arvid, je leeft nog. Het is een wonder. Kun je je nog bewegen?’

Arvid beweegt een voor een zijn bebloede armen en benen. Het bloed uit de diepe krassen in zijn gezicht maskeert elke uitdrukking van pijn. Zijn kleren, althans wat er van over is, kleuren rood en plakken aan zijn lijf, maar zijn botten lijken nog heel. Bendert slaat een arm onder Arvid’s oksels en helpt hem voorzichtig overeind.
‘Kun je staan?’ vraagt hij, terwijl hij Arvid’s gezicht probeert te peilen. Wankelend staart Arvid naar Bendert. Helder rode strepen tekenen zijn gezicht. Geluidloos valt Arvid bij Bendert in de armen.

Zonder woorden blijven ze even zo staan, totdat Bendert hem langzaam meetrekt om uit het struikgewas te komen.

‘Laten we maken, dat we hier wegkomen,’ zegt Bendert meer tegen zichzelf dan tegen Arvid. ‘Wie weet komen ze hun werk nog afmaken. Ik heb mijn wagen ginds. Kom, gauw,’

Ondanks zijn pijn heeft Arvid geen aansporing meer nodig. Het wrede gezicht van Arran en het plezier van de wachters die hem de deur naar nergens door duwden zijn genoeg om zijn pijn te verbijten. Met opeengeklemde kaken laat hij zich door Bendert op de kar helpen.

‘Bendert, je moet niet meer naar de burcht gaan. Hoor je me, Je moet er niet heengaan.’ Voor zijn gevoel schreeuwt Arvid vanonder het jute zakken en bussels takken, die Bendert over hem heen drapeert.

‘Stil blijven liggen,‘ sist Bendert. ‘als ze je op mijn kar vinden zijn we allebei de klos.’

‘Zeg me dat je niet naar Arran gaat,’ dringt Arvid aan.

‘Goed, goed, ik ga er niet heen. Maar nu stil totdat we bij mijn huis zijn.’

Bij Arvids boerderij zijn soldaten van Arran druk bezig om Arvid’s schaarse meubeltjes naar buiten te slepen. In het voorbijgaan spuugt Bendert op de grond. Het geeft lucht aan zijn minachting, haat en angst.

‘Hé boer,’ roept een van de soldaten. ‘Stoppen. Wat vervoer je?’ Met getrokken zwaard komt hij dichterbij.

‘Hout voor de kachel,’ Wat doen jullie in Arvids huis?’ vraagt Bendert terwijl hij de sukkelgang van zijn paarden aanhoudt. Zijn stem klinkt vast, maar zijn hart bonkt.

Onder de juten zakken houdt Arvid zijn adem in uit angst, dat die hem anders zou kunnen verraden. Hij bidt God om de soldaat met blindheid te slaan en de wagen door te laten rijden.

‘Ik stel hier de vragen, boer,’ zegt de soldaat. Hij rommelt even tussen de takkenbossen op de kar, waarna hij Bendert sommeert om door te rijden.

Bendert haalt zijn schouders op, mompelt een groet en zet het paard weer aan tot een sukkeldraf. Arvid beloont God met een schietgebed. Het geluid van krakend en brekend huisraad maskeert zijn terugkerende ademhaling. Alles wat hij met zijn Anna heeft opgebouwd wordt in een dag vernietigd. Langzaam verdringt het monotone geratel van de wielen en het kreunen van de wagen op het hobbelige pad het akelige geluid van de ontruiming van hun huis. De toekomst lijkt nog ver weg alhoewel die eerder die dag al is begonnen.

De wagen stopt weer en mensen trekken stilzwijgend het hout van de wagen. Arvid houdt de handen voor zijn gezicht. Een stekende pijn trekt door zijn huid als de zakken haastig opzij worden getrokken. Pas als hij de stem hoort van zijn Anna durft hij weer te kijken.

‘Gaan jullie maar even naar binnen, kinderen,’ zegt ze geschrokken als ze Arvid ziet.

Arvid wil wel lachen en huilen als hij de ontzetting ziet, die zowel Anna als Martha uitstralen. Of zijn tranen er zijn door de pijn of de opluchting het er in ieder geval levend van af gebracht e hebben is niet duidelijk. In de krampachtige grimas op zijn gezicht strijden ellende en geluk met elkaar om zich te laten zien.

‘Martha, leg even een paar handdoeken op ons bed,’ zegt Bendert. ‘Dat is de beste plek voor hem.’

Tussen Anna en Bendert strompelt Arvid naar binnen. Bendert dirigeert hen naar de slaapkamer van hem en Martha. leggen ze hem voorzichtig op bed. Met een schaar ontdoen ze Arvid van al zijn kleding. Samen inspecteren Martha en Anna Arvids wonden, waarbij ze hem voorzichtig van zijn rug omrollen op zijn zij. Martha’s kundige handen bevoelen botten en spieren. Onwennig dat hun buurvrouw haar Arvid zo intiem behandelt, beseft Anna dat er voor preutsheid geen plaats kan zijn.

‘Het lijkt, geloof ik, erger dan het is,’ zegt Martha. ‘Hij heeft wonder boven wonder niets gebroken. Het zijn vooral schaaf- en snijwonden. Die maken we even schoon. Je zult zien, dat hij er gauw weer uitziet als je eigen kerel, Anna.’

Langer dan een paar dagen houdt Arvid het in bed niet uit. Het onrecht dat hem is aangedaan, jaagt het bloed door zijn aderen. In zijn hoofd is een ongekende onverzettelijkheid gerezen. Dit mag nooit weer gebeuren. Niet met hem en ook niet met anderen. In zijn hoofd rijpen en sneuvelen plannen. De haat en wraaklust heeft hem strijdbaar gemaakt, maar eerder dan die alleen maar om te zetten in vernietiging, zint hij op manieren om mensen een eerlijke en rechtvaardige toekomst te kunnen bieden. De eerste met wie hij er over praat is Bendert.

‘Arran en zijn soldaten moeten worden gestopt,’ zegt Arvid als hij een weer aan Benderts tafel zit.

‘Voor velen van ons is het al te laat, Arvid. Ook ik zal heer Arran moeten zeggen, dat ik mijn pacht dit jaar niet kan betalen. Van Lars, Hendrik en Jan weet ik ook, dat ze het geld niet hebben,’ zegt Bendert. Zijn ogen staan mat. Maar de vonk in Arvids ogen brengen iets van diens strijdlust over. De storm in Arvid’s hoofd op tot orkaankracht. Dan staat Arvid op en kijkt Bendert strak aan.

‘Ik heb een paar dagen de tijd gehad om na te denken, Bendert. Arran heeft duidelijk geen zin om uitstel te geven. Waarom zou hij jou sparen? Ik leef nog, gelukkig. Maar of iedereen het er zo van af brengt? Nee, we moeten ons tegen Arran verzetten of vluchten.’

‘Hoe dacht je dat voor elkaar te krijgen?’

‘Het is misschien makkelijker dan je denkt.’ zegt Arvid. Met een ruk staat hij op, waardoor zijn stoel met een harde klap achterover klettert. Zijn verschijning heeft iets grotesks met al dat verband als hij driftig door de kleine woonkamer van Bendert en Martha heen en weer banjert.

‘Heeft de koorts je te pakken gekregen, Arvid? vraagt Anna. Ze kijkt hem met angstige ogen na. Zo kent ze hem niet. Haar Arvid, die anders altijd ruim binnen de marges van de wet blijft, straalt een strijdvaardige verbetenheid uit bij deze uitbarsting van opstandigheid.

‘Het kasteel heeft maar één toegangsweg. Als we die blokkeren, kunnen ze daarboven geen kant op.’

‘Blokkeren? Waarmee? En dan?’

‘We hakken bomen om en laten die over de weg vallen. Dan moeten ze van hun paarden af.’

‘Maar met hun zwaarden hakken ze ons zo aan mootjes.’

‘Wij hebben hooivorken en zeisen en lange staken waaraan we ze kunnen roosteren.’

Bendert denkt er even over na. ‘Misschien heb je wel gelijk en is het beter te vechten, dan je een voor een te laten vermoorden. Misschien willen Jan, Hendrik en Lars ook wel meedoen. Zij hebben al gezegd dezelfde problemen te hebben met het betalen van de pacht,’ zegt hij, terwijl hij zijn vuist hard in zijn andere hand laat neerkomen. Zijn ogen weerspiegelen het vuur dat Arvid heeft opgestookt.

‘Ja, we kunnen ook Derk, Dries, Rowan en Johan eens polsen. Wie weet, kennen zij nog anderen, die in hetzelfde schuitje zitten,‘ zegt Arvid.

Met een ruk schuift Bendert zijn stoel achteruit. ‘Ik ga het ze meteen vragen,’ zegt hij en beent de kamer uit.

Martha schrikt en ziet met lede ogen haar man met grote stappen naar buiten lopen. Na de knal van de dichtslaande deur regeert de stilte, waarin Martha en Anna elkaar in de ogen kijken als om te peilen wat de ander er van vindt. Martha weet, dat als haar man iets in zijn kop heeft, je hem niet makkelijk meer op andere gedachten brengt. Berustend legt ze haar handen in haar schoot.

‘Kop op Martha,’ zegt Anna. ‘Als alle mannen uit het dal meedoen, hebben we al een behoorlijke sterke groep mensen. Met zijn allen zijn ze best in staat om Arran te stoppen.’

‘Jij hebt makkelijk praten. Je hebt niets meer te verliezen,’ zegt Martha.

‘Jij wel, Martha, je hebt gezien wat Arran doet met mensen, die hem niet betalen,’ kaatst Anna terug.

‘Genoeg,’ zegt Arvid. ‘We hebben alleen een kans als we samen werken. Als Arran merkt, dat onze groep verdeeld is, speelt hij ons nog tegen elkaar uit.’

De blikken tussen Martha en Anna geven de hierop volgende stilte extra diepte. Zwijgend gaat Martha naar de keuken. Arvid en Anna kijken elkaar aan.

‘Je kunt je best indenken, dat niemand eigenlijk met de getrainde soldaten van Arran wil vechten. Mensen zijn bang. Daar moet je Martha niet boos op aankijken.’ zegt Arvid tegen zijn vrouw.

Bendert komt thuis met zijn gezicht op onweer. ‘Arran heeft nog een slachtoffer gemaakt,’ zegt hij. ‘Ik hoorde van Dries, dat het Marcus is uit het dal van de Rotte.’

‘Wat is er met hem gebeurd?’ Anna en Arvid vroegen het in koor.

‘Laat ik zeggen, dat jij erg veel geluk hebt gehad, Arvid,’ zegt hij en kijkt Arvid strak aan.

De stilte, die volgt geeft ruimte aan ieders emoties.

‘Arran moet gestopt worden.’ zegt Arvid plots.

‘Ja,’ zegt Anna ferm. ‘Het is genoeg geweest.’ Ze kijkt Martha afwachtend aan.

‘Ik ben bang. Maar hij laat ons geen andere keus wat voor een ellende dat ook zal geven.’ beaamt Martha. Een diepe zucht kleurt haar tweestrijd tussen angst en opstandigheid.

Ontroerd door haar onvoorwaardelijke steun kijken zowel Arvid als Anna haar aan. Met vochtige ogen sluit Anna Martha in haar armen.

‘De mannen in het dal morren en zeggen dat ze meedoen aan de strijd tegen Arran,’ zegt Bendert. ‘Niet alleen de boeren, maar ook hun knechten, die alles aan Arran zijn kwijtgeraakt. Vanavond komen er een aantal van hen om plannen te maken.’ Benderts stem klinkt donker en dreigend.

Negen mannen scharen zich rond de tafel in de kamer van Benderts boerderij. Zoals werd verwacht, zijn Hendrik, Lars en Jan van de partij. Ook Dries, Derk en Rowan sluiten aan. Als laatste komt Koen, een loonwerker, binnen.

‘Iedereen is gekomen. Dank daarvoor mede namens alle achterblijvers van de slachtoffers van Arran . Helaas is mijn kamer niet groter, daarom heb ik niet meer mensen uitgenodigd. Laten wij vanavond de eerste plannen smeden voor ons verzet,’ zegt Bendert. ‘Als ieder van ons daarmee zoveel mogelijk boeren in zijn omgeving vraagt om met ons mee te doen hebben we toch een behoorlijk leger op de been.’

‘Het veiligste lijkt me om in kleine groepjes te blijven werken,’ stelt Arvid voor. ‘Arran mag er niets van merken totdat we klaar zijn voor de strijd.’

De mannen roffelen met hun knuisten op tafel en brommen instemmend. Ze kijken met nauwelijks verholen afschuw naar Arvid, die er meelijwekkend uitziet met zijn hoofd in het verband. De krassen op zijn armen en handen zien er rauw uit. Al weet iedereen inmiddels wat hem is overkomen vertelt Arvid over zijn bezoek aan de burcht en hoe dat hem bijna fataal werd.

‘Arran liet me niet eens uitpraten. Voor ik besefte wat er gebeurde sleurden twee van Arrans knechten me een gang door naar de uitgang, zeiden ze. Ze deden de deur open en duwden mij naar buiten.’ Zenuwachtig plukt hij aan het verband, alsof hij de nachtmerrie opnieuw beleeft. ‘Daarna weet ik niets meer tot Bendert mij vond.’

‘Hij heeft die deur daar vast express voor laten maken,’ zegt Dries. De anderen vallen hem bij.

Dries vertelt wat er die dag met Marcus van de Rotte is gebeurd. ‘Zijn zoon had hem naar de voet van het steile voetpad gebracht en was daar op hem blijven wachten. Hij heeft het gezien.’

‘Heeft hij zijn vader zien vallen?’ vraagt Bendert met afschuw in zijn stem.

‘Ja,’ zegt Dries met neergeslagen ogen. ‘Wat moet er door het hoofd van die arme kerel zijn gegaan toen hij bij het lijk van zijn vader kwam. Hij moet met zijn hoofd op een rots gevallen.’ Dries slaat zijn handen voor zijn ogen.

‘Gadver,’ zegt iemand. Dan is het een moment stil.

‘Dit mòet ophouden,’ zegt Arvid dan plotseling heftig. ‘Ik heb een plan.’ Alle mannen kijken hem aan. Arvid kijkt ieder één voor één aan voordat hij zijn plan uiteenzet.

Daags voordat Bendert zijn pacht aan Heer Arran zou moeten betalen sprokkelt een groepje boeren kachelhout langs het smalle pad naar de burcht bovenop de rots. Het pad is net breed genoeg voor één kar. Hier en daar zijn bredere plekken waar karren uit tegengestelde richtingen elkaar kunnen passeren. Tegen de avondtijd droogt het verkeer van en naar de burcht op. De meeste soldaten hebben zich al teruggetrokken in de burcht en in de kleine huisjes, die eromheen tegen de bergwand staan.

Het is nieuw, dat de boeren op deze plek hout sprokkelen. Toch is geen van hen aangesproken door Heer Arrans soldaten. Stilzwijgend werken ze in het struikgewas. Hun werk levert zelfs complimenten van de passerende hoge heren op. Als hen de zaagsneden in een aantal dikke bomen langs het pad of de stevige takken tussen de stapels stenen was opgevallen, hadden ze zich vast niet zo lovend uitgelaten over het werk van de boeren. Ook Arvid is druk in de weer met het inzagen van bomen en het stapelen van stenen. Onder de vurige littekens in zijn gezicht smeult een brandend fanatisme dat hem voortdrijft. Andere boeren wijten zijn ongewoon norse en directe manier van doen aan de pijn die eronder schuilgaan. Arvid maakt hen niet wijzer. Naarmate de dageraad van zijn strijd nadert wordt Arvid steeds actiever. Tot vervelens toe controleert hij of alle mannen wel weten wat er van hen wordt verwacht in de strijd tegen Arran en zijn leger.

Het geluid van een Oehoe geeft het startsein voor een explosie van gebeurtenissen aan de voet van de berg. Van overal komen boeren op hun paarden tevoorschijn, trekken half doorgezaagde bomen om, wrikken rotsblokken los uit de stapels en rollen die op het pad. Anderen verschansen zich met katapulten, slingers en een lading scherp geslepen stenen in de bomen rondom de barricade. De strijd begint op de dag waarop men in de burcht de wekelijkse bevoorrading verwacht.

Al bij het zwakste ochtendlicht kijken de wachters van Heer Arran het dal in. Het is voor hen altijd een feestelijke gebeurtenis om de stoet van wagens al van verre te zien aankomen. Zulke dagen worden traditiegetrouw afgesloten met een groot feest waarbij de nieuwe voorraden vlees, groenten en fruit al behoorlijk worden aangesproken. Dan stroomt het bier rijkelijk en vermaken de mannen zich met vers aangevoerde vrouwen. De gedachten om hun opgekropte energie te kunnen ontladen zet velen van hen al vroeg onder hoogspanning, die halverwege de middag al vaak tot een ontlading komt na een race om als eerste een maagd te bemachtigen. Maar deze ochtend lijkt anders anders.

Opgefokt lopen de wachters op de transen van de burcht nerveus heen en weer. Waar ze ook kijken, er is geen beweging te zien. De omgeving straalt een ongewone rust uit. Ook de burchtheer zelf is nerveus. Omdat er al maar niets lijkt te gebeuren slaat zijn humeur om en groeit zijn ergernis. Zijn mannen kennen hem maar al te goed en vrezen een van zijn legendarische driftbuien. Deze keer overtreft het zelfs hun stoutste verwachtingen. In een oogwenk groeit Arrans drift tot een ware tornado. In dat inferno van gestamp en geschreeuw roept hij zijn archivaris.

‘Van Smaelen, wie moet er als eerste zijn?’ blaft hij.

‘Bendert, heer.’

‘Wachter, ga die kerel dan als de donder halen,’ buldert Arran.

‘Ja, heer,‘ zegt de wachter, die gelijk maakt, dat hij weg komt. Op zijn vlucht naar buiten geeft hij zijn maat een teken om mee te komen.

Even later leiden de twee wachters hun paarden langs het smalle pad naar beneden. Na de laatste bocht voor de versperring houden hun paarden ineens in. Een van de wachters duikelt zelfs bijna uit het zadel. Verbaasd stijgen ze af en lopen met hun hand aan het gevest naar de barricade toe. De paarden steigeren en trappelen driftig achteruit de helling weer op. Hun ruiters proberen de dieren nog te kalmeren, maar welgemikte scherpe stenen maken daar een eind aan.

Arvid en Bendert keken elkaar aan.

‘Zo makkelijk gaat dat nu,’ lijken ze elkaar stilzwijgend te willen mededelen.

Andere boeren vangen de paarden en leiden die om de barricades heen naar de weg het dal in. De lijken gooien ze van de steile helling naar beneden. Daar krijgen ze hun onzichtbare graf in een rotsspleet.

In zijn burcht wordt Heer Arran steeds bozer. Hij stuurt de een na de andere soldaat naar beneden om er vervolgens niets meer van te horen. Zijn wachters zien nog steeds geen enkele beweging in het dal. De gebeurtenissen aan de voet van de rots, vlak onder hun neus, zien ze niet. De soldaten, die daar wel getuige van zijn, kunnen het niet navertellen. Wat een feestdag had moeten worden, is nu een hel, die ook nog eens geteisterd wordt door de verwoestende kracht van het humeur van Heer Arran. Zelfs Meester van Smaelen maakt zich uit de voeten, omdat het boek voor zijn neus hem onvoldoende bescherming kan bieden tegen het ontketende geweld van Arran’s toorn. Ziedend gaat Heer Arran tenslotte zelf op onderzoek uit. Met een bescheiden escorte van tien ruiters verlaat hij de burcht en daalt langs het smalle pad naar beneden. Zijn woede maakt hem blind voor de gevaren van het pad. Doldriest laat hij zijn escorte steeds verder achter zich. De soldaten die achter hem aankomen horen hem zo hard loeien dat zij hem nog meer voorsprong geven. Dan wordt het ineens angstwekkend stil.

Een moment later verscheurt een oorverdovend gejuich de stilte. Stapvoets rond Arrans escorte de bocht en wordt direct belaagd door een uitzinnig juichende groep boeren, die hen onder dreiging van hun rieken, spaden en knuppels van hun paarden aftrekken en ontwapenen. Bij de aanblik van hun meester die roerloos op de grond ligt, geven de soldaten zich zonder slag of stoot over aan de boeren.

Arvid staat boven op een stapel stenen en kijkt uiterlijk onbewogen naar het tafereel, dat zich aan zijn voeten afspeelt. Heer Arrans bleke gelaat en zijn roerloze gestalte verraden dat er van hem geen gevaar meer te duchten zal zijn.

‘Zo makkelijk is het nu,’ zegt Arvid tegen Bendert. ‘En nu verder naar boven!’