De Strijd van Arvid


Die dinsdag in september staat Arvid om vijf uur op. De eerste boodschappers van de dageraad zijn in het oosten net zichtbaar als Arvid huiverend het koude water uit de ketel over zijn handen giet en zijn gezicht ermee dept. Die nacht is het pure angst, die de rust om te slapen uit zijn hoofd heeft verdreven. Hoe zal Arran reageren als hij om uitstel van betaling vraagt?

De vraag, waar hij het geld voor de pacht vandaan moet halen, houdt Arvid al weken uit zijn slaap. Zijn aanvankelijke optimisme om een oplossing te vinden is helemaal verdampt. Ja, de prijzen voor groenten zijn door de slechte oogsten weliswaar hoog, maar de aanhoudende regen heeft er voor gezorgd, dat Arvid weinig tot niets te verkopen heeft. Tot overmaat van ramp kan geen van zijn vrienden hem helpen.


Als een bedelaar was hij bij hen langs gegaan. Bij velen kwam hij niet verder dan de deuropening, waar hij hen, op zijn bemodderde klompen en met de pet in de hand, nederig om hulp moest vragen.
Stuk voor stuk hadden ze hem meewarig aangekeken. ‘Ik zou je graag helpen Arvid. Als ik het kon,’ kreeg hij keer op keer te horen.

Bendert had hem gisteren wel binnen gelaten, maar hem als antwoord slechts stilzwijgend zijn lege schuur en verregende land laten zien.

Verslagen had Arvid daar zolang naar het troosteloze land staan kijken, dat zijn klompen zich hadden vastgezogen in de modder. Op dat moment veranderde het eens zo rijke land voor zijn ogen in een poel van ellende, waardoor zijn strijdlust een gevoelige knauw kreeg.

‘Laat me weten, hoe het gaat dinsdag,’ had Bendert hem nog gevraagd. ‘Heer Arran zal toch wel weten, dat de oogsten slecht zijn dit jaar. Misschien begrijpt hij wel, dat we zijn schattingen nu niet kunnen opbrengen.’

‘Je kent hem, hij heeft nooit genoeg,’ had Arvid slechts gezegd.
Bendert had met een ferme handdruk afscheid van hem genomen. ‘Zelf heb ik nog wat tijd, maar als het niet anders wordt, moet ik ook uitstel vragen,’ zei hij, alsof hij verwachtte Arvid hiermee een hard onder de riem te steken.

Het tegendeel was echter waar. Die woorden hadden Arvid zijn moed helemaal ontnomen.

Arvid werpt een blik op zijn slapende kinderen, Dan loopt hij naar zijn vrouw en geeft haar zachtjes een kus op het voorhoofd. Maar Anna slaapt niet. Natuurlijk niet.

‘Moet je nu echt gaan?’ klinkt het jammerend onder de deken vandaan. ‘Kunnen we hier niet gewoon weggaan?’

Arvid zegt niets, maar blijft even onbeweeglijk staan. Dan draait hij zich resoluut om. Zonder eten loopt hij de deur uit. Het sompige land staart hem vanuit de schemering meedogenloos aan. Het heeft hem dit seizoen net genoeg gegeven om zijn vrouw en twee jonge kinderen de winter door te kunnen helpen. Als ze zomaar weggaan, zullen ze zelfs dat niet meer hebben. Hij mòet zijn leenheer daarboven wel om uitstel van betaling gaan vragen.

De burcht van Heer Arran steekt donker en dreigend boven de steile rotswand omhoog. De eerste zonnestralen beroeren zijn torens, die daardoor als lompe knotsen in de handen van een reusachtige beul omhoog wijzen.

Rillend volgt Arvid het smalle pad, dat zich door de bossen om de berg heen steil omhoog kronkelt. De vochtige ochtendkou doet pijn aan zijn longen. Het steile pad wedijvert met zijn angst wie zijn hart het hardst kan laten slaan.

‘Kan ik toch niet beter naar mijn vrouw luisteren en gewoon teruggaan om met de noorderzon te vertrekken?’ zegt een stem in zijn achterhoofd, terwijl zijn benen hem traag verder langs het pad omhoog stuwen. Steeds als Arvid hijgend als een bospaard even moet rusten slaat de twijfel weer toe.

‘Anna heeft waarschijnlijk wel gelijk. Ik had nooit moeten gaan,’ zegt hij, terwijl hij zijn gezicht verbergt in zijn grote rode zakdoek. Arvid weet, dat het daarvoor te laat is. Als hij vandaag niet zou zijn gekomen, hadden Arran’s mannen hem vast al te pakken, voordat hij met zijn gezin goed en wel op pad geweest zou zijn. Wat er ook gebeurt, je kunt maar beter niet worden opgehaald om voor Heer Arran te verschijnen. Er zijn boeren, waarvan daarna nooit meer iets is vernomen en waarvan vrouw en kinderen zonder inkomsten van hun stee zijn verdreven en gedwongen werden een zwervend bestaan te leiden en bedelend het land door te trekken. Hij ziet zijn Anna en hun twee kleine meisjes zo al voor zich. ‘Dat nooit,’ denkt hij. Het beeld geeft hem nieuwe energie om verder te gaan.

Vanuit zijn burcht lijkt Heer Arran altijd alles te zien, wat er zich in het dal afspeelt.
Arvid weet, dat hij allang is gezien op zijn weg naar de berg. Dus stopt hij keer op keer zijn twijfel weg en loopt met zware tred moeizaam verder langs het steile pad omhoog. Na de laatste bocht staat hij hijgend voor de zwaar bewaakte ingang van de burcht.

‘Je hebt een slechte dag uitgezocht, boer. Heer Arran heeft last van een stevige verkoudheid. Je kunt hem maar beter goed nieuws brengen,’ zegt één van de wachters tegen Arvid.

‘Alleen ben je je buidel met het goede nieuws vergeten, zie ik,’ voegt de ander er temend aan toe.
Arvid zegt niets. Hij veegt zijn gezicht af met de rode zakdoek, die inmiddels meer weg heeft van een natte dweil.

Iets in hun stem zegt Arvid, dat de wachters zich al op voorhand vermaken bij de gedachten aan wat hem te wachten staat. Langzaam doet hij een pas naar achteren, terwijl hij ze een voor een aankijkt.

‘Nou moet je niet gelijk weggaan, dat vindt Heer Arran niet aardig. Hij rekent op je.’ Grijnzend kijken de beide wachters Arvid aan. Ze houden hun hellebaarden uitnodigend opzij om hem door te laten.

Arvid neemt zijn muts van zijn hoofd en loopt, vrezend voor Arran’s roemruchte driftbuien, schoorvoetend verder de burcht in. Een bediende houdt de deur van de audiëntiezaal voor hem open. Knipperend met zijn ogen tegen het zonlicht, dat door het raam recht tegenover hem valt, loopt hij verder. Het licht spoelt om het silhouet van zijn leenheer heen, waardoor die als een sinistere schaduw de ruimte domineert. Rechts van hem zit een man achter een tafel met zijn neus boven een lijvig boekwerk. Arvid voelt, dat de man hem even over de randen van zijn ronde brilletje monstert, maar hij ziet alleen het dreigende silhouet voor het raam.

‘Arvid, is het niet?’

‘Ja Heer, dat is mijn naam.’

Meester Van Smaelen, wat is vazal Arvid mij schuldig?’ vraagt Heer Arran aan de man achter de enige tafel in het vertrek. Daarbij knikt hij kort met zijn hoofd naar Arvid.

‘De helft van zijn oogst met een minimum van 100 thalers, Heer,’ zegt meester van Smaelen zonder van zijn boek op te kijken.

‘Waarom heb je die nog niet voldaan, Arvid?’ vraagt Heer Arran zich weer tot Arvid wendend.
‘Heer, het land is te nat geweest. De oogst is …’, verder komt Arvid niet.

‘Waarom hoor ik nou altijd zo’n klaagverhaal? Mijn land moet bewerkt worden door echte boeren, die zich niet door een regenbuitje laten ringeloren. Met domme boeren zoals jij, raak ik nog eens aan de bedelstaf. Wachters!’

Besluiteloos staat Arvid daar met gebogen hoofd en zijn pet in zijn knuisten geklemd. Hij heeft de wachters niet horen binnenkomen.

‘Laat Arvid uit. We nemen afscheid van hem,’ zegt Heer Arran, terwijl hij zich omdraait en zijn blik door het venster over zijn landerijen in het dal laat dwalen.

Arvid voelt hoe de wachters hem ruw bij de arm pakken. Tevergeefs probeert hij zich uit hun greep te bevrijden. ‘Nee, Heer,’ jammert hij. ‘Zodra ik kan, zal ik u met rente betalen.’

Niemand geeft de jammerende Arvid antwoord. De wachters brengen hem ruw door een smalle gang naar een massieve deur. Als één van de wachters de deur open doet, ziet Arvid tot zijn ontzetting een gapende afgrond. Heftig spartelend en schreeuwend probeert hij nog aan het onheil te ontkomen. Tevergeefs.

‘Dit is de snelste weg naar beneden. Goede reis, boer,’ hoort hij hen nog zeggen. Het volgende moment voelt hij de wind langs zijn oren suizen en zijn buis wapperen in de wind.

Het volgende moment ziet hij zijn moeder meewarig kijkend snel naar hem toekomen. Net als vroeger.

‘Ach manneke, ben je gevallen. Heb je je pijn gedaan?’
Luid huilend blijft hij liggen, tot zijn moeder hem opraapt.

‘Kom op, sta maar gauw op en droog je tranen. Die knie gaat wel weer over. Kijk voortaan maar wat beter uit en til je voeten op als je loopt.’

Met een klapje op zijn broek stuurt ze hem weer aan het spelen en verdwijnt weer uit het zicht.

Takken knappen, splinters dringen door zijn kleren en schaven zijn huid. Arvid voelt geen pijn. O, god, laat dit mijn Anna en de kinderen bespaard blijven, denkt hij voordat de vergetelheid toeslaat.

De mensen in het dal kijken omhoog als een langgerekte kreet het dal vult met de doodsangst van Arvid.
Bendert kijkt ook en ziet hoe er iemand uit de burcht naar beneden stort.

‘Oh god, nee,’ mompelt hij. ‘Dat moet Arvid zijn.’ Bendert aarzelt geen moment, spant zijn paard voor de wagen en laat de zweep knallen om het tot spoed te manen. Op zijn weg naar de rots van de burcht stopt hij nog even bij het huis van Arvid.

Anna staat voor het huis naar de burcht te staren. Bewegingloos. Haar beide handen voor de mond en twee kinderen jammerend aan haar rok. Als ze Bendert ziet, kijkt ze hem krijtwit aan. ‘Oh Bendert, Arvid is vanmorgen naar de burcht gegaan. Zou hij..’ Ze maakt haar zin niet af en kijkt Bendert hoopvol aan alsof ze van hem geruststellende woorden verwacht.

Zwijgend laat Bendert zijn blik naar de burcht dwalen. Al is het allen maar om Anna’s blik te ontwijken.

‘Jij denkt ook, dat het Arvid is, hè?’ schreeuwt ze bijna beschuldigend. Als ze heel even kans ziet om Bendert’s blik te vangen, knapt er iets bij Anna. Luid schreiend stort ze zich in de modder voor haar huis. ‘Ik heb hem nog zo gezegd, ga niet,’ snikt ze. ‘Maar hij wilde persé proberen om uitstel te krijgen.’

Hoog op zijn wagen ziet Bendert de wanhopige vrouw in de modder rollen van verdriet en machteloze woede. De kinderen jammeren nog harder mee nu hun moeder hen niet meer lijkt te kunnen troosten.
Bendert vecht tegen zijn tranen bij het zien van hun verdriet.

‘Vrouw, maak, dat je hier weg komt,’ zegt hij onnodig ruw. ‘De soldaten van Heer Arran zijn vast al op weg hierheen. Het is beter, dat die je niet vinden’

‘Waar moet ik dan heen?’ jammert ze.

‘Ga naar mijn huis en wacht daar tot ik terug ben,‘ zegt Bendert. Hij richt zijn blik weer op de rots, waar hij Arvid heeft zien vallen en vuurt zijn paard alweer aan.

Als Arvid zijn ogen opendoet ziet hij gebroken takken boven zijn hoofd. Langzaam dringt de schrijnende pijn van alle delen van zijn lijf tot hem door. Als hij zich probeert te bewegen lijkt de grond onder hem mee te geven. Een gigantische vermoeidheid dwingt hem kalm op zijn rug te blijven liggen.
Met zijn ogen dicht hoort hij het briesen van een paard. ‘Dat is vlakbij,’ denkt Arvid nog, voordat hij zich overgeeft aan de slaap, die hem opnieuw voor even de genade van de verdoving brengt.

Bendert bindt zijn paard aan een boom aan de rand van het gebied, waarin hij Arvid had zien vallen en loopt het struikgewas in. Onderzoekend richt hij zijn blik op de bomen om hem heen. Gebroken takken wijzen hem de plek, waar Arvid moet zijn neergekomen. Moeizaam worstelt hij zich door het dichte struikgewas tot de plek, waar een laars uit de struiken steekt.

‘Arvid?’ roept Bendert. Als een bezetene begint hij de takken opzij te duwen.

‘Bendert?’ Arvid’s stem klinkt zacht.

‘Arvid, je leeft nog. Het is een wonder. Kun je je nog bewegen?’

Arvid beweegt een voor een zijn bebloede armen en benen. Het bloed uit de diepe krassen in zijn gezicht maskeert elke uitdrukking van pijn. Zijn kleren, althans wat er van over is, kleuren rood en plakken aan zijn lijf.

Bendert slaat een arm onder Arvid’s oksels en helpt hem voorzichtig op de benen. ‘Gaat het?’ zegt hij, terwijl hij Arvid’s gezicht probeert te peilen. Wankelend staart Arvid naar Bendert. Zijn tranen trekken helder rode strepen. Ze lijken het startsein voor een ongeremd bibberen. Geluidloos valt Arvid bij Bendert in de armen. Zonder woorden blijven ze even zo staan, totdat Bendert hem langzaam meetrekt om uit het struikgewas te komen.

‘Laten we maken, dat we hier wegkomen. Misschien komen ze je nog zoeken. Ik heb mijn wagen meegenomen. Kom gauw.’

Ondanks zijn pijn heeft Arvid geen aansporing meer nodig. Beelden van grijnzende wachters en een deur, waarachter geen gang meer is, dringen zich genadeloos opnieuw aan hem op. Dan weer ziet hij de grimmige trekken op het gezicht van Arran vlak voor diens wachters hem naar die deur toe sleurden.

‘Bendert, je moet niet meer naar de burcht gaan. Hoor je me, Je moet er niet heengaan,’ Arvid schreeuwt het bijna uit. Wild slaat hij zijn arm naar achteren in een poging Bendert tegen te houden.

‘Shjjjt,‘ maant Bendert. ‘Straks vinden ze ons hier nog.’

‘Zeg me dan, dat je er niet heen zult gaan,’ houdt Arvid aan.

‘Goed, goed, ik ga er niet heen. Maar kom nu mee.’

Met hulp van Bendert klimt Arvid moeizaam op de wagen en rolt zich op in een stapel jute zakken. Bendert legt nog een paar van die zakken over Arvid heen, zodat hij helemaal aan het zicht is onttrokken. Voordat hij zijn paard losmaakt en op de bok klimt stapelt hij nog een paar bussels takken op zijn kar.

‘En houdt je mond tot je van de kar wordt afgehaald,’ fluistert Bendert over zijn schouder tegen de bos hout. Zwijgend rijden ze samen terug. Als ze langs Arvid’s boerderij komen, ziet Bendert soldaten van Arran druk bezig om Arvid’s schaarse meubeltjes naar buiten te slepen. Bendert spuugt op de grond. Daarna kijkt hij weer strak voor zich uit.

‘Hé boer,’ roept een van de soldaten. ‘Heb je Arvid en zijn vrouw gezien vanmorgen?’

‘Nee, niet gezien. Ik heb hout gesprokkeld. Waarom zoek je ze?’

‘Gaat je niks aan,’ zegt een soldaat.

Daarmee lijken ze hun interesse voor Bendert te zijn verloren. Verstijfd ligt Arvid tussen zijn jute zakken. Hij houdt zijn adem in uit angst, dat die hem anders zou kunnen verraden. Hij bidt, dat de wagen gewoon door mag rijden. God is hem goed gezind. Het geluid van krakend meubilair wordt langzaam weer verdrongen door het monotone geratel van de rollende wielen en het kreunen van de wagen op het hobbelige pad. Een weinig later stopt die. Mensen trekken het hout ervan af. Met ingehouden adem houdt Arvid zijn handen voor zijn gezicht. Een stekende pijn trekt door zijn huid als de zakken haastig opzij worden getrokken. Pas als hij de stem hoort van zijn Anna durft hij weer te kijken.

‘Gaan jullie maar even naar binnen, kinderen,’ zegt ze en slaat vertwijfeld een hand voor haar mond als ze Arvid ziet.

Ondanks alles moet hij grijnzen als hij de ontzetting ziet, die zowel Anna als Martha uitstralen. Zijn lust om te lachen eindigt in een krampachtige grimas. Vreugde en verdriet strijden een ogenblik om voorrang.

‘Martha, leg even een paar handdoeken op ons bed,’ zegt Bendert. ‘Dan leggen we hem even daarop om hem wat te fatsoeneren.’

Tussen Anna en Bendert strompelt Arvid naar binnen. Bendert dirigeert hen naar de slaapkamer van hem en Martha. Daar leggen ze hem voorzichtig op bed en beginnen zijn kleding los te maken.

‘Het lijkt, geloof ik, erger dan het is,’ zegt Martha. ‘Het zijn vooral schaaf- en snijwonden. Als we die hebben schoongemaakt, zul je zien, dat je hij er gauw weer uitziet als je eigen kerel, Anna.’

Langer dan een paar dagen houdt Arvid het in bed niet uit. Het onrecht, dat hem is aangedaan, jaagt het bloed door zijn aderen. In zijn hoofd is een ongekende onverzettelijkheid gerezen om de oorzaak van dat onrecht weg te nemen.

‘Arran en zijn soldaten moeten worden gestopt,’ zegt Arvid tegen Bendert als hij een paar dagen later weer aan tafel zit.

Voor velen van ons is het al te laat, Arvid. Ook ik zal heer Arran moeten zeggen, dat ik mijn pacht dit jaar niet kan betalen. Van Lars, Hendrik en Jan weet ik ook, dat ze het geld niet hebben.’
De stilte, die volgt jaagt de storm in Arvid’s hoofd op tot orkaankracht. Dan staat Arvid op en kijkt Bendert strak aan.

‘Ik heb een paar dagen de tijd gehad om na te denken. Arran geeft geen uitstel. Je hebt gezien, wat hij mij heeft aangedaan. Waarom zou hij met jou niet hetzelfde doen als je hem ook om uitstel van betaling vraagt? Ik heb nog geluk gehad, maar het zou wel eens minder goed kunnen aflopen. Nee, we moeten ons tegen Arran verzetten of vluchten.’

‘Hoe heb je gedacht dat voor elkaar te krijgen?’

‘Het is misschien makkelijker dan je denkt.’ zegt Arvid. Met een ruk staat hij op, waardoor zijn stoel met een harde klap achterover klettert. Zijn verschijning heeft iets grotesks met al dat verband als hij driftig door de kleine woonkamer van Bendert en Martha heen en weer banjert.

‘Heeft de koorts je te pakken gekregen, Arvid? vraagt Anna. Ze kijkt hem met angstige ogen na. Zo kent ze hem niet. Haar Arvid, die anders altijd ruim binnen de marges van de wet blijft, straalt een strijdvaardige verbetenheid uit bij deze uitbarsting van opstandigheid.

‘Het kasteel heeft maar één toegangsweg. Als we die blokkeren, kunnen ze daarboven geen kant op.’

‘Misschien heb je wel gelijk en is het beter te vechten, dan je een voor een te laten vermoorden,’ zegt Bendert. ‘Misschien willen Jan, Hendrik en Lars ook wel meedoen. Zij hebben al gezegd dezelfde problemen te hebben met het betalen van de pacht,’ zegt hij, terwijl hij zijn vuist hard in zijn andere hand laat neerkomen. Het vuur lijkt op Bendert te zijn overgeslagen.

‘Ja, we kunnen ook Derk, Dries, Rowan en Johan eens polsen. Wie weet, kennen zij nog anderen, die in hetzelfde schuitje zitten,‘ zegt Arvid.

Bendert slaat met zijn vingertoppen hard op tafel als om zich af te zetten uit zijn stoel. ‘Ik ga het ze meteen vragen,’ zegt hij en beent de kamer uit.

Martha kijkt haar man met grote ogen na als hij de kamer uit beent.

Als Bendert weg is, kijken Martha en Anna elkaar zwijgend aan. Martha weet, dat als haar man iets in zijn kop heeft gezet, je hem niet zomaar op andere gedachten brengt. Berustend legt ze haar handen in haar schoot.

‘Kop op Martha,’ zegt Anna. ‘Als alle mannen uit het dal meedoen, hebben we al een behoorlijke sterke groep mensen. Met zijn allen zijn ze best in staat om Arran te stoppen.’

‘Jij hebt makkelijk praten. Je hebt niets meer te verliezen,’ zegt Martha.

‘Jij wel, Martha, je hebt gezien wat Arran doet met mensen, die hem niet betalen,’ kaatst Anna terug.

‘Genoeg,’ zegt Arvid. ‘We hebben alleen een kans als we samen werken. Als Arran merkt, dat onze groep verdeeld is, speelt hij ons nog tegen elkaar uit.’
De blikken tussen Martha en Anna geven de hierop volgende stilte extra diepte. Zwijgend gaat Martha naar de keuken.

‘Je kunt je best indenken, dat niemand eigenlijk met de getrainde soldaten van Arran wil vechten. Mensen zijn bang. Daar moet je Martha niet boos op aankijken.’ zegt Arvid tegen zijn vrouw.

Als Bendert terugkomt staat zijn gezicht op onweer. ‘Arran heeft nog een slachtoffer gemaakt,’ zegt hij. ‘Ik hoorde van Dries, dat het Marcus is uit het dal van de Rotte.’

‘Wat is er met hem gebeurd?’ Anna en Arvid vroegen het in koor.

‘Laat ik zeggen, dat jij erg veel geluk hebt gehad, Arvid,’ zegt hij en kijkt Arvid strak aan. De stilte, die volgt geeft ruimte aan ieders emoties.

‘Arran moet gestopt worden.’ zegt Arvid plots.

‘Ja,’ zegt Anna en kijkt Martha afwachtend aan.

‘Ik ben bang. Maar het lijkt erop, dat we geen keus hebben. We moeten onszelf wel tegen hem beschermen. Wat voor een ellende dat ook zal geven.’ geeft Martha met een zucht toe. Verrast kijken zowel Arvid als Anna haar aan. Opgelucht laat Anna dan haar blik naar Arvid dwalen. Tranen vullen haar ogen, waarna ze Martha om haar nek valt. Martha strijkt Anna over het haar. ‘Het spijt me, dat ik daarnet zo bot reageerde,’ zegt ze zachtjes.

Bendert bekijkt het tafereel met opgetrokken wenkbrauwen. ‘De mannen in het dal morren en zeggen, dat ze ons helpen om tegen Arran op te staan,’ zegt hij. ‘Niet alleen de boeren, maar ook hun knechten, die hun bezittingen al zijn kwijtgeraakt door toedoen van Arran. Vanavond komen er een paar om te bespreken wat we kunnen doen.’ Bendert’s stem klinkt donker en mat.

Die avond zitten negen mannen rond de tafel in de kamer van Benderts boerderij. Zoals werd verwacht, zijn Hendrik, Lars en Jan van de partij. Ook Dries, Derk en Rowan sluiten aan. Als laatste komt Koen, de loonwerker binnen. Koen is één van die mensen, die door Arran van hun bezittingen zijn beroofd.

‘Meer mensen heb ik niet uitgenodigd voor vanavond,’ zegt Bendert. ‘Als ieder van ons zoveel mogelijk boeren in zijn omgeving rekruteert, dan hebben we zo een behoorlijk leger op de been.’ ‘Het veiligste is om in kleine groepjes te blijven werken. Dat valt het minste op,’ zegt Arvid. ‘Met ons negenen kunnen we ervoor zorgen, dat iedereen weet welke acties er zullen worden uitgevoerd en wie daaraan mee zullen doen. Arran mag niet in de gaten krijgen, dat er wat broeit, voordat we klaar zijn om de strijd met hem aan te gaan.’

De mannen mompelen instemmend. Ze kijken met nauwelijks verholen afschuw naar Arvid, die er meelijwekkend uitziet met zijn hoofd in het verband. De krassen op zijn armen en handen zien er rauw uit. Dan vertelt Arvid wat hem is overkomen voor zover hij het zich kan herinneren.

‘Arran liet me niet eens uitpraten. Voor ik er erg in had, werd ik naar die deur gesleurd en naar buiten gegooid.’ Zenuwachtig plukt hij aan het verband, alsof hij de nachtmerrie opnieuw beleeft.

‘Weet je zeker, dat het een deur was en geen raam?’ vraagt Rowan.

‘Heel zeker. Ze duwden me zo naar buiten.’

‘Dan moet die schurk die deuren daar express hebben laten maken,’ zegt Dries.

‘Wat je zegt,’ vallen de anderen hem bij.
Dries vertelt wat er met Marcus bij de Rotte vandaan is gebeurd. Het lijkt in grote lijnen hetzelfde verhaal als dat van Arvid.

‘Zijn zoon had hem naar het steile voetpad gebracht en was daar op hem blijven wachten.’

‘Heeft hij zijn vader zien vallen?’ vraagt Bendert. Met grote ogen vol afschuw kijken ze naar Dries, alhoewel ze het antwoord eigenlijk al weten.

‘Ja. Je kunt je voorstellen, wat er door het hoofd van die arme kerel moet zijn gegaan, toen hij bij het lijk van zijn vader kwam. Marcus is helemaal verminkt. Waarschijnlijk is hij met zijn hoofd op een rots gevallen.’

‘Gadver,’ zegt iemand. Dan is het een moment stil.

‘Dit mòet ophouden,’ zegt Arvid dan plotseling heftig. ‘Ik heb een plan.’
Alle mannen kijken hem vragend aan. Theatraal blikt Arvid de mannen in de kring één voor één aan, voordat hij zijn plan verder uiteenzet.

Daags voordat Bendert naar Heer Arran zou moeten gaan om zijn pacht te betalen sprokkelt een groepje boeren kachelhout aan de voet van de rots onder de burcht langs het smalle pad omhoog. Het pad biedt net genoeg ruimte om één kar tegelijk door te laten. Hier en daar zijn bredere plekken, waar karren uit tegengestelde richtingen elkaar kunnen passeren. Tegen de avondtijd droogt het verkeer van en naar de burcht op. De meeste soldaten hebben zich al teruggetrokken in de burcht en in de kleine huisjes, die eromheen tegen de bergwand staan. Het is nieuw, dat de boeren op deze plek hout sprokkelen. Toch is geen van hen aangesproken door de soldaten van Heer Arran. Verscholen in het dichte struikgewas hebben ze stilzwijgend hun werk gedaan. Uiteindelijk is het lage struikgewas mooi uitgedund. Dat heeft enkelen van hen zelfs complimenten opgeleverd van de hoge heren.
Als hen de zaagsneden in een aantal dikke bomen langs het pad of de stevige takken tussen de stapels stenen was opgevallen, hadden ze zich vast niet zo lovend uitgelaten over het werk van de boeren.
Ook Arvid is druk in de weer met het inzagen van bomen en het stapelen van stenen. Onder dekking van de vurige strepen in zijn gezicht smeult een brandend fanatisme. Andere boeren wijten zijn ongewoon norse en directe manier van doen aan de pijn, die de littekens aan de oppervlakte brengen. Arvid maakt hen niet wijzer. De spanning over het slagen van zijn plan en het harde werken verdrijven de pijn in zijn huid. De pijn eronder woekert echter door en wakkert het heilig vuur in hem ongekend hoog aan.
Naarmate de dageraad van zijn strijd nadert, wordt Arvid steeds actiever. Onophoudelijk controleert hij tot vervelens toe of alle mannen wel weten, wat er van hen wordt verwacht in de strijd tegen Arran en zijn leger.

Het geluid van een Oehoe geeft het startsein voor een explosie van gebeurtenissen aan de voet van de berg. Van overal vandaan komen boeren op hun paarden aan. Zij trekken de half doorgezaagde bomen omver en wrikken de rotsblokken los uit de stapels, zodat ze op het pad blijven liggen.
Inmiddels hebben anderen zich met hun katapulten en slingers met een lading scherp geslepen stenen verschanst in de bomen rondom de barricade. De strijd is begonnen uitgerekend op de dag, dat de bezetting in de burcht gereed staan om hun wekelijkse bevoorrading in ontvangst te nemen.

Bij dageraad kijken de wachters van Heer Arran het dal in. Het is voor hen altijd een feestelijke gebeurtenis om al van verre de stoet van wagens te zien aankomen. Zulke dagen worden traditiegetrouw afgesloten met een feest, dat al gelijk een bres slaat in de nieuwe voorraden vlees, groenten en fruit. Dan stroomt het bier rijkelijk en kunnen de mannen zich vermaken met de meegereisde vrouwen. Die gedachten zet velen van hen al vroeg onder spanning, die halverwege de middag al vaak tot een ontlading komt, zoals al veel vrouwen hebben kunnen meemaken. Zenuwachtig lopen de wachters op de transen van de burcht heen en weer. Waar ze ook kijken, er is geen beweging te zien. De omgeving straalt een ongewone rust uit. Als een van de eersten hadden ze toch wel pachter Bendert verwacht.
Ook de burchtheer zelf is nerveus. Juist omdat er niets gebeurt slaat zijn humeur om. Naarmate het langer duurt, groeit zijn ergernis, waardoor een van zijn legendarische driftbuien losbarst, die nu zelfs in een oogwenk uitgroeit tot een ware tornado. In dat inferno roept hij één van zijn wachters.

‘Is Bendert al in aantocht?’ blaft hij.

‘Nee heer, alles daar beneden is nog rustig,’ zegt de man, bevreesd om wat verkeerds te zeggen.

‘Ga hem dan als de donder halen,’ buldert Arran.

Een ogenblik kijkt zelfs de doorgaans onverstoorbare meester van Smaelen verschrikt van zijn boek omhoog. Zo langzamerhand is hij toch al wat gewend. Op dit soort dagen volgen de verschillende buien van Arran elkaar doorgaans nogal snel op, zodat een gewone uitbarsting hem al niet meer van zijn stuk zou brengen. Flexibel als hij is, herstelt hij zich echter snel om de aandacht van Arran niet op hem te vestigen. Zo snel als hij kan, gaat hij weer op in het boek voor zijn neus, alsof hij slechts de opengeslagen bladzijde daarvan is.

‘Ja, heer,‘ zegt de wachter, die gelijk maakt, dat hij weg komt. Op zijn vlucht naar buiten geeft hij zijn maat een teken om mee te komen.

Even later leiden de twee wachters hun paarden langs het smalle pad naar beneden. Na de laatste bocht voor de versperring houden hun paarden ineens in. Een van de wachters duikelt zelfs bijna uit het zadel. Verbaasd stijgen ze af en lopen met hun hand aan het gevest naar de barricade toe. De paarden zijn onrustig en trappelen driftig achteruit de helling weer op. De beide mannen hebben waarschijnlijk niets gemerkt van de plotselinge aanval en lieten het leven door een paar welgemikt schoten van scherpe stenen.
Arvid en Bendert keken elkaar aan.

‘Zo makkelijk gaat dat nu,’ lijken ze elkaar stilzwijgend te willen mededelen.

Een paar boeren vangen de paarden en leiden die om de barricades heen de weg naar het dal in. Twee anderen slepen de lijken van de weg en gooien ze van de steile helling naar beneden. Daar krijgen ze hun onzichtbare graf in een rotsspleet.

In zijn burcht wordt Heer Arran steeds bozer. Hij stuurt de een na de andere soldaat naar beneden om er vervolgens niets meer van te horen. Zijn wachters zien nog steeds geen enkele beweging in het dal. De gebeurtenissen aan de voet van de rots, vlak onder hun neus, zien ze niet. De soldaten, die daar wel getuige van zijn, kunnen het niet navertellen. Wat een feestdag had moeten worden, is nu een hel, die ook nog eens geteisterd wordt door de verwoestende kracht van het humeur van Heer Arran. Zelfs Meester van Smaelen maakt zich uit de voeten, omdat het boek voor zijn neus hem onvoldoende bescherming kan bieden tegen het ontketende geweld van Arran’s toorn.

Ziedend gaat heer Arran tenslotte zelf op onderzoek uit. Met een bescheiden escorte van zo’n tien ruiters verlaat hij de burcht en daalt langs het smalle pad naar beneden. Zijn woede maakt hem blind voor de gevaren van het pad. Doldriest laat hij zijn escorte steeds verder achter zich. De soldaten die achter hem aankomen horen hem zo hard loeien, dat zij hem nog voorzichtiger volgen. Zo groeit de afstand tussen hen en hun broodheer dubbel zo hard. Dan wordt het ineens angstwekkend stil.
Een moment later wordt die stilte verscheurd door een oorverdovend gejuich. Als de soldaten de laatste bocht doorkomen, worden ze opgenomen in een juichende en dansende groep boeren.

Arvid staat boven op een stapel stenen en kijkt uiterlijk onbewogen naar het tafereel, dat zich aan zijn voeten afspeelt.

‘Zo makkelijk is het nu,’ denkt hij.